ECLI:NL:RVS:2025:6119

Raad van State

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
202500245/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing compensatie aanvraag door minister van Financiën in toeslagenaffaire

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van [appellante], een erkend gedupeerde ouder van de toeslagenaffaire, tegen de afwijzing van haar aanvraag om compensatie van een afgeloste geldschuld door de minister van Financiën. De minister had op 5 juli en 2 augustus 2023 de aanvraag afgewezen en verklaarde het bezwaar van [appellante] op 5 maart 2024 niet-ontvankelijk, omdat het bezwaarschrift te laat was ingediend. De rechtbank Den Haag had het beroep van [appellante] ongegrond verklaard. Tijdens de zitting op 10 november 2025 werd de zaak behandeld, waarbij [appellante] werd bijgestaan door haar advocaat, mr. M. Shaaban. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat [appellante] niet aannemelijk had gemaakt dat haar voormalig gemachtigde tijdig bezwaar had gemaakt. De termijnoverschrijding werd niet verschoonbaar geacht, omdat er geen bijzondere omstandigheden waren die dit rechtvaardigden. De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat de minister geen proceskosten hoefde te vergoeden.

Uitspraak

202500245/1/A2.
Datum uitspraak: 17 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 december 2024 in zaak nr. 24/3029 in het geding tussen:
[appellante]
en
de minister van Financiën (voorheen: de Belastingdienst/Toeslagen, hierna: de minister).
Procesverloop
Bij besluiten van 5 juli en 2 augustus 2023 heeft de minister de aanvraag van [appellante] om compensatie van een afgeloste geldschuld afgewezen.
Bij besluit van 5 maart 2024 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 3 december 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] heeft een nader stuk overgelegd.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 10 november 2025, waar [appellante], bijgestaan door mr. M. Shaaban, advocaat in Rotterdam, en de minister, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       [appellante] is een erkend gedupeerde ouder van de toeslagenaffaire. Zij heeft op grond van artikel 2.7 van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: de Wht) een eenmalig forfaitair bedrag van € 30.000,00 ontvangen, ook bekend als de Catshuisregeling. [appellante] heeft een deel van dit geld gebruikt om een openstaande schuld bij een familielid af te lossen. Zij heeft daarom een aanvraag gedaan om compensatie voor afgeloste schulden, als bedoeld in artikel 4.3 van de Wht.
Besluitvorming
2.       Bij besluiten van 5 juli en 2 augustus 2023 heeft de minister de aanvraag van [appellante] afgewezen. De minister heeft bij besluit van 5 maart 2024 het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Hiertoe heeft de minister overwogen dat hij het bezwaarschrift op 6 november 2023 heeft ontvangen. [appellante] heeft dus te laat bezwaar gemaakt. De minister heeft geen reden gezien om aan te nemen dat [appellante] wel tijdig bezwaar heeft gemaakt. Zij heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat zij op 7 juli 2023 het bezwaar heeft verzonden naar de Kredietbank Amsterdam. Ook heeft de minister de termijnoverschrijding niet verschoonbaar geacht.
Uitspraak van de rechtbank
3.       Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister terecht het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. [appellante] heeft haar standpunt dat zij op 7 juli 2023 een bezwaarschrift heeft verzonden naar de Kredietbank Amsterdam niet met enig bewijsstuk onderbouwd of op een andere manier aannemelijk gemaakt. De rechtbank gaat er daarom van uit dat [appellante] pas op 6 november 2023 bezwaar heeft gemaakt.
[appellante] heeft naar het oordeel van de rechtbank daarnaast geen omstandigheden naar voren gebracht die maken dat de termijnoverschrijding redelijkerwijs niet aan haar toe te rekenen is. Zij werd bijgestaan door een professionele rechtsbijstandverlener die geacht wordt te weten dat overeenkomstig de rechtsmiddelenclausule bezwaar dient te worden gemaakt. Op het besluit van 5 juli 2023 stond een correcte bezwaarclausule met daarin ook het juiste adres waar het bezwaarschrift naartoe moest worden gestuurd. Dat een bezwaarschrift in een andere zaak die de voormalig gemachtigde had gericht aan de Kredietbank Amsterdam wel is doorgezonden, betekent niet dat de termijnoverschrijding niet aan [appellante] kan worden toegerekend. De aard van de zaak en het feit dat [appellante] een gedupeerde is van de toeslagenaffaire is ook geen reden om van een niet-toerekenbare termijnoverschrijding te spreken. Dat de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: de UHT) coulant omgaat met termijnoverschrijdingen, betekent niet dat de minister daar ook coulant mee om dient te gaan, aldus de rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep
Heeft [appellante] tijdig bezwaar gemaakt?
4.       Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar voormalig gemachtigde op 7 juli 2023 bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 5 juli 2023. In hoger beroep heeft [appellante] een aantal stukken overgelegd die door haar voormalige gemachtigde zijn ingebracht in een klachtprocedure bij de plaatselijk deken van de Orde van Advocaten. Dit betreft een reactie van de voormalig gemachtigde op de klacht van [appellante] en verschillende (proces)stukken uit andere procedures van deze gemachtigde. In deze stukken ontbreekt een afschrift van het bezwaarschrift dat op 7 juli 2023 zou zijn verstuurd of andere stukken die de verzending van dit bezwaarschrift aannemelijk maken. Uit deze stukken blijkt alleen dat deze gemachtigde in een andere procedure een bezwaarschrift heeft verzonden naar de Kredietbank Amsterdam en dat dit stuk vervolgens is doorgezonden. Dit zegt echter niets over het bezwaar dat deze gemachtigde namens [appellante] zou hebben gemaakt op 7 juli 2023. Kortom, de rechtbank heeft terecht geoordeeld dat [appellante] pas op 6 november 2023 bezwaar heeft gemaakt en dat zij daarom te laat bezwaar heeft gemaakt tegen de besluiten van 5 juli 2023 en 2 augustus 2025.
4.1.    Het betoog slaagt niet.
Is de termijnoverschrijding verschoonbaar?
5.       Een termijnoverschrijding is verschoonbaar als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Dit staat in artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht. Ten eerste is daarvoor vereist dat de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Ten tweede is vereist dat het bezwaarschrift of beroepschrift zo spoedig mogelijk is ingediend als redelijkerwijs kon worden verlangd. Een termijnoverschrijding kan niet aan de indiener worden toegerekend als er bijzondere omstandigheden zijn bij de indiener, of als de termijnoverschrijding is veroorzaakt door het handelen of nalaten van het bestuursorgaan. Er kunnen ook andere redenen zijn waardoor de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Daarbij wordt een op het individuele geval gerichte, contextuele benadering gevolgd. Als de indiener wordt bijgestaan door een (professionele) rechtshulpverlener, komt het handelen van de rechtshulpverlener in beginsel voor risico van de indiener. Persoonlijke omstandigheden van de rechtshulpverlener kunnen ertoe leiden dat de termijnoverschrijding niet aan de indiener wordt toegerekend. Bij een professionele rechtshulpverlener moet het dan gaan om (heel) bijzondere persoonlijke omstandigheden.
5.1.    Niet in geschil is dat [appellante] ten tijde van bezwaar werd bijgestaan door een professionele rechtshulpverlener. Niet is gebleken van (heel) bijzondere persoonlijke omstandigheden aan de zijde van de voormalige advocaat van [appellante]. Dit betekent dat het handelen van de voormalige advocaat voor risico van [appellante] komt.
5.2.    Op de zitting heeft [appellante] toegelicht dat zij erop vertrouwde dat haar voormalige advocaat tijdig bezwaar zou maken. Zoals volgt uit het vorenstaande is dit niet gebeurd. De Afdeling begrijpt dat dit voor [appellante] een heel vervelende situatie is. Toch ziet de Afdeling hierin geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Het is vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechters dat het handelen van een professionele rechtshulpverlener in beginsel voor risico van de indiener komt. Dit is opnieuw bevestigd in de uitspraak van de grote kamer van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 30 januari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:31, overweging 5.1). De Afdeling heeft zich bij deze uitspraak aangesloten (ECLI:NL:RVS:2024:1871). Niet is gebleken van heel bijzondere omstandigheden aan de zijde van de voormalige advocaat van [appellante] op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht.
5.3.    Ten overvloede merkt de Afdeling het volgende op. In gevallen waarin er mogelijk sprake is van een beroepsfout aan de zijde van de professionele rechtsbijstandverlener, bestaat er voor de indiener de mogelijkheid een (tucht)klachtprocedure te starten of de professionele rechtsbijstandverlener civielrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de schade die uit deze mogelijke beroepsfout is voortgevloeid. Op de zitting is gebleken dat [appellante] daarvan op de hoogte is, en een aanvang heeft gemaakt met het bewandelen van deze wegen.
5.4.    Het betoog slaagt niet.
Had de minister zich moeten aansluiten bij het beleid van de UHT?
6.       Op 27 juni 2024 heeft de staatssecretaris van Financiën - Toeslagen en Douane een beleidsregel vastgesteld voor de UHT waar in artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder a, staat dat de overschrijding van de bezwaartermijn niet wordt tegengeworpen als het bezwaarschrift binnen tien weken na het verstrijken van de bezwaartermijn is ingediend.
6.1.    De Afdeling volgt [appellante] niet in haar betoog dat er rechtsongelijkheid ontstaat doordat de minister vasthoudt aan de bezwaartermijn, terwijl deze termijn in het kader van de integrale beoordeling niet zo strak wordt gehanteerd. Hierbij is het van belang dat de beslissing op bezwaar in het kader van de integrale beoordeling wordt genomen door een ander bestuursorgaan, te weten de Dienst Toeslagen. De Afdeling begrijpt dat dit onderscheid voor burgers niet altijd duidelijk is. Dit neemt echter niet weg dat de minister bij het nemen van besluiten geen toepassing hoeft te geven aan het beleid van een ander bestuursorgaan. Niet is gebleken dat de minister in gelijke gevallen niet gelijk heeft gehandeld.
6.2.    Het betoog slaagt niet.
Conclusie
7.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
8.       De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, voorzitter, en mr. J.F. de Groot en mr. V.V. Essenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Rietveld, griffier.
w.g. Den Ouden
voorzitter
w.g. Rietveld
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025
1064