ECLI:NL:RVS:2025:6052

Raad van State

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
202207454/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sluiting van woning op grond van de Opiumwet na aantreffen van drugs en contant geld

In deze zaak gaat het om het hoger beroep van [appellante] tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland, die op 11 november 2022 het beroep van [appellante] gegrond verklaarde. De burgemeester van Haarlemmermeer had op 2 oktober 2020 besloten om de woning van [appellante] in Hoofddorp voor drie maanden te sluiten, nadat er bij een doorzoeking op 7 juli 2020 aanzienlijke hoeveelheden drugs en contant geld waren aangetroffen. De rechtbank vernietigde het besluit van de burgemeester van 16 februari 2021, maar liet de rechtsgevolgen in stand, omdat de burgemeester had aangegeven dat hij het besluit voor zijn rekening nam. [appellante] ging in hoger beroep, waarbij zij aanvoerde dat de rechtbank niet had geoordeeld over haar ingebrekestelling en dat er formele gebreken aan de besluitvorming van de burgemeester kleven. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de zaak behandeld op 26 november 2025. De Afdeling oordeelde dat de burgemeester te laat had beslist op het bezwaar van [appellante], maar dat dit geen recht op een dwangsom opleverde. De Afdeling bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat de sluiting van de woning rechtmatig was, omdat deze was gebaseerd op artikel 13b van de Opiumwet. De Afdeling concludeerde dat de burgemeester niet in strijd had gehandeld met artikel 8 van het EVRM, omdat de sluiting noodzakelijk was voor het voorkomen van strafbare feiten. Het verzoek om schadevergoeding van [appellante] werd afgewezen, omdat er geen omstandigheden waren die een veroordeling tot schadevergoeding rechtvaardigden.

Uitspraak

202207454/1/A3.
Datum uitspraak: 17 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Hoofddorp,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord­-Holland van 11 november 2022 in zaak nr. 21/1422 in het geding tussen:
[appellante]
en
de burgemeester van Haarlemmermeer.
Procesverloop
Bij besluit van 2 oktober 2020 heeft de burgemeester besloten om de woning aan [locatie A] in Hoofddorp voor drie maanden te sluiten.
Bij besluit van 16 februari 2021 heeft de burgemeester het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 11 november 2022 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 16 februari 2021 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op de zitting van 26 november 2025 behandeld, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. C. Jankie, rechtsbijstandsverlener in Hoofddorp, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. M. Gayir, advocaat in Haarlem, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       [appellante] woont met haar minderjarige zoon in de woning aan [locatie A] in Hoofddorp. Na een anonieme melding over de aanwezigheid van twee pakketten cocaïne van 28 kg heeft op 7 juli 2020 een doorzoeking van de woning plaatsgevonden. De politie heeft daarbij in de woning 24,3 kg hasj en ruim € 160.000,00 contant geld aangetroffen. De bevindingen zijn vastgelegd in de ‘Bestuurlijke rapportage [locatie A] te Hoofddorp en [locatie B] te Nieuw-Vennep’ van 9 juli 2020. Naar aanleiding van de bevindingen van de politie heeft de burgemeester besloten om de woning op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet voor drie maanden te sluiten met ingang van uiterlijk 15 oktober 2020. De woning is feitelijk drie maanden gesloten geweest.
Wat heeft de rechtbank geoordeeld?
2.       De rechtbank heeft het door [appellante] ingestelde beroep gegrond verklaard. Reden daarvoor is dat het besluit van 16 februari 2021 in mandaat door een ambtenaar is genomen, terwijl het besluit van 2 oktober 2020 volgens de daarin weergegeven handtekening door de burgemeester zelf is genomen. Daardoor is het besluit van 16 februari 2021 genomen in strijd met artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). De rechtbank heeft dat besluit daarom vernietigd, maar de rechtsgevolgen in stand gelaten omdat de burgemeester te kennen heeft gegeven dat hij het besluit voor zijn rekening neemt. Dat betekent dat de sluiting rechtmatig was en de burgemeester geen nieuw besluit hoefde te nemen. Op de andere door [appellante] aangevoerde gronden heeft zij namelijk geen gelijk gekregen.
Waarom is [appellante] het niet met de rechtbank eens?
3.       [appellante] betoogt dat de rechtbank ook een oordeel had moeten geven over een door haar ingediend beroep wegens het niet tijdig beslissen door de burgemeester. Zij stelt dat zij op 8 februari 2021 de burgemeester in gebreke heeft gesteld omdat hij volgens haar niet tijdig op het bezwaar heeft beslist. Zij maakt daarom aanspraak op een dwangsom. De rechtbank heeft de ingebrekestelling van 8 februari 2021 niet aan haar dossier toegevoegd en heeft zich over deze beroepsgrond ten onrechte niet uitgelaten, aldus [appellante]. Daarnaast voert zij aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat aan de besluitvorming van de burgemeester meerdere formele gebreken kleven. Voor wat betreft de inhoud van het besluit betoogt zij dat het besluit van de burgemeester in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Zij verzoekt tot slot om een vergoeding van de schade die zij wegens de onrechtmatige besluitvorming heeft geleden.
Beoordeling van het hoger beroep
Het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar
4.       De Afdeling stelt vast dat [appellante] geen afzonderlijk beroep bij de rechtbank heeft ingesteld wegens het niet-tijdig beslissen door de burgemeester. De rechtbank heeft daar daarom ook niet op hoeven beslissen. Wel heeft zij zowel in beroep als hoger beroep aangevoerd dat het besluit van 16 februari 2021 niet tijdig is genomen en dat zij daarom recht heeft op een dwangsom. De Afdeling zal daar daarom een oordeel over geven.
4.1.    Zoals tijdens de zitting bij de Afdeling met partijen besproken, is tussen hen niet in geschil dat de burgemeester gelet op artikel 7:10 van de Awb te laat op het bezwaar van [appellante] heeft beslist. De burgemeester is echter geen dwangsom verschuldigd. Artikel 4:17, eerste lid, van de Awb bepaalt - voor zover relevant - dat als een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, het bestuursorgaan een dwangsom aan de aanvrager verbeurt voor elke dag dat het in gebreke is. Het derde lid bepaalt dat de eerste dag waarover de dwangsom is verschuldigd, de dag is waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. [appellante] heeft de burgemeester bij brief van 8 februari 2021 in gebreke gesteld. De burgemeester heeft daarna op 16 februari 2021 - en dus binnen twee weken nadat de burgemeester de ingebrekestelling heeft ontvangen - een besluit op bezwaar genomen. [appellante] heeft daarom geen recht op een dwangsom wegens het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar door de burgemeester.
Het betoog slaagt niet.
Gronden van formele aard over de besluitvorming van de burgemeester
5.       [appellante] betoogt dat er meerdere formele gebreken aan de besluitvorming van de burgemeester kleven. De rechtbank heeft dat volgens haar niet onderkend. De gronden die [appellante] hierover in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 6.1 tot en met 12.2 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
Het betoog slaagt niet.
Toetsingskader woningsluitingen
6.       In haar uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922, heeft de Afdeling de uitgangspunten weergegeven waarvan zij zal uitgaan bij haar beoordeling van besluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De Afdeling verwijst voor deze uitgangspunten daarom naar die uitspraak en zal deze hanteren bij de beoordeling van het hoger beroep.
Bevoegdheid van de burgemeester en noodzaak van de sluiting
7.       De gronden die [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 13.2, 13.3 en 14.2 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Zij voegt daar nog het volgende aan toe over de bestuurlijke rapportage. [appellante] heeft in hoger beroep (alsnog) het proces-verbaal van doorzoeking van 10 augustus 2020 van de rechter-commissaris ingebracht. Daarin staat dat het volgende in de garage is aangetroffen: "1 open kartonnen doos met 13 blokken (vermoedelijk) hasj" en "1 afgesloten kartonnen doos met 16 blokken (vermoedelijk) hasj". [appellante] wijst erop dat de rechter-commissaris ervan uitgegaan is dat het ‘vermoedelijk’ om hasj gaat. Wat hierover in het proces-verbaal staat, is echter niet in strijd met wat in de bestuurlijke rapportage van 9 juli 2020 staat, namelijk dat er 24,3 kg hasj aangetroffen is. De bestuurlijke rapportage is gebaseerd op informatie uit op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal en/of politiemutaties. Net zoals de rechtbank heeft overwogen, bestaat er geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de rapportage op dit punt. [appellante] heeft tijdens de zitting bij de Afdeling desgevraagd ook niet toegelicht wat er dan wel in de dozen zat, anders dan dat zij zich op het standpunt heeft gesteld dat tot op heden niet bekend is wat er is aangetroffen omdat het Nederlands Forensisch Instituut geen onderzoek heeft gedaan. Dat in de bestuurlijke rapportage twee veroordelingen voor witwassen uit 2015 en 2018 op naam van [persoon] worden vermeld en dat dit volgens [appellante] niet juist is, leidt niet tot een ander oordeel. [appellante] heeft deze stelling niet onderbouwd en indien deze informatie onjuist zou zijn, doet dat bovendien geen afbreuk aan de bevindingen over wat in de woning is aangetroffen.
Het betoog slaagt niet.
Was de sluiting van de woning evenwichtig?
8.       [appellante] betoogt dat de sluiting niet evenwichtig was omdat zij geen vervangende woonruimte kon vinden. Ze heeft daarnaast een minderjarige zoon die ADHD heeft, waardoor hij niet op een willekeurig andere plek kan verblijven. Zij heeft in hoger beroep daarover een psychodiagnostisch onderzoek uit 2017 ingebracht. De burgemeester had daarom niet mogen overgaan tot het sluiten van de woning, aldus [appellante].
8.1.    De Afdeling is van oordeel dat de sluiting van de woning niet onevenwichtig was. [appellante] is in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor het vinden van vervangende woonruimte. Het ligt dus niet op de weg van de burgemeester om direct vervangende woonruimte voor [appellante] te huren en aan haar beschikbaar te stellen, zoals [appellante] tijdens de zitting bij de Afdeling heeft gesteld. Achteraf is ook gebleken dat zij zelf vervangende woonruimte bij familie heeft kunnen regelen. Uit het psychodiagnostisch onderzoek uit 2017 blijkt verder niet dat haar zoon een bijzondere binding met de woning heeft en niet in een andere woning zou kunnen verblijven. De burgemeester heeft daarom niet af hoeven zien van het sluiten van de woning. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen.
Het betoog slaagt niet.
Heeft de burgemeester gehandeld in strijd met artikel 8 van het EVRM?
9.       Uit artikel 8, eerste lid, van het EVRM volgt dat iedereen recht heeft op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Ingevolge het tweede lid van dat artikel is inmenging van enig openbaar gezag in de uitoefening van het in het eerste lid neergelegde recht toegestaan, voor zover deze bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is voor, onder meer, het voorkomen van strafbare feiten of het beschermen van de rechten van anderen. De sluiting van de woning is een inmenging als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM. De bevoegdheid van de burgemeester tot het gelasten van de sluiting van de woning is neergelegd in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet en daarom bij wet voorzien. De sluiting dient daarnaast een legitiem doel, namelijk het beëindigen van de geconstateerde overtreding van de Opiumwet, het tenietdoen van de gevolgen daarvan en/of het voorkomen van verdere overtredingen van de Opiumwet. Zoals onder 7 al is geoordeeld, mocht de burgemeester de sluiting van de woning gerechtvaardigd en noodzakelijk achten. De sluiting is daarom ook niet in strijd met artikel 8 van het EVRM. Zie de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:715.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
10.     Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd, voor zover aangevallen.
Verzoek om schadevergoeding
11.     [appellante] heeft verzocht om schadevergoeding. Uit de bevestiging van de uitspraak van de rechtbank volgt dat zich geen van de in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb opgenomen omstandigheden voordoen op grond waarvan een veroordeling tot schadevergoeding kan worden uitgesproken. Alleen al daarom zal het verzoek worden afgewezen.
Proceskosten
12.     De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen;
II.       wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt en mr. J. Schipper-Spanninga, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.A. Meerman, griffier.
w.g. Borman
voorzitter
w.g. Meerman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025
960