202302553/1/A3.
Datum uitspraak: 26 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante A] en [appellant B], respectievelijk gevestigd en wonend in Ermelo,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 10 maart 2023 in zaak nr. 21/1033 in het geding tussen:
[appellante A] en [appellant B]
en
de burgemeester van Ermelo.
Procesverloop
Bij besluit van 28 juli 2020 heeft de burgemeester een vergunning aan [partij] verleend voor de exploitatie van [bedrijf] aan de [locatie] in Ermelo.
Bij besluit van 18 januari 2021 heeft de burgemeester het door [appellante A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, de vergunning ingetrokken en een nieuwe exploitatievergunning verleend.
Bij uitspraak van 10 maart 2023 (ECLI:NL:RBGEL:2023:1277) heeft de rechtbank het door [appellante A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben [appellante A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[partij] heeft een reactie gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op de zitting van 7 april 2025 behandeld, waar [appellante A] en [appellant B], vertegenwoordigd door mr. I.E. Nauta, advocaat in Deventer, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. I.E. van Duuren en mr. F.T.J. van Veluw-Kruijsbergen, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. De burgemeester heeft op 28 juli 2020 op grond van artikel 2:28 van de Algemene Plaatselijke Verordening Ermelo 2020 (hierna: de APV) een exploitatievergunning aan [partij] verleend voor het exploiteren van [bedrijf] aan de [locatie] in Ermelo. [appellante A] en [appellant B] hebben daar bezwaar tegen gemaakt. De burgemeester heeft dat bezwaar in zijn besluit van 18 januari 2021 gegrond verklaard en de exploitatievergunning ingetrokken. Met dat besluit heeft hij tevens een nieuwe exploitatievergunning verleend. Daartegen zijn [appellante A] en [appellant B] opgekomen. De rechtbank heeft het door hen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Waarom zijn [appellante A] en [appellant B] het niet met de rechtbank eens?
2. [appellante A] en [appellant B] betogen dat de burgemeester de exploitatievergunning had moeten weigeren wegens strijd met het bestemmingsplan. De rechtbank heeft dat volgens hen niet onderkend. [bedrijf] heeft een terras en op grond van het bestemmingsplan "De Driehoek 2016" is dat ter plaatse niet toegestaan. In de bestemmingsomschrijving staat namelijk niet dat de grond tevens bestemd is voor een terras. Er zijn daarnaast onvoldoende parkeerplaatsen aanwezig, waardoor ook in strijd wordt gehandeld met het bestemmingsplan "Parkeernormen".
Daarnaast had de burgemeester de exploitatievergunning moeten weigeren omdat het gebrek aan parkeerplaatsen en het, mede als gevolg daarvan, in strijd met het parkeerverbod parkeren aan de openbare weg, leidt tot openbare orde en/of openbare veiligheidsproblemen.
Verder had de burgemeester de exploitatievergunning moeten weigeren omdat de woon- en leefsituatie in de omgeving van [bedrijf] op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. [appellante A] en [appellant B] wijzen er daarbij op dat het logisch is dat er tijdens de coronajaren geen meldingen van overlast zijn geweest. De rechtbank heeft daarom te eenvoudig aangenomen dat de burgemeester geen onredelijk gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om een exploitatievergunning te verlenen.
Beoordeling van het hoger beroep
Ontvankelijkheid van het hoger beroep van [appellant B]
3. [appellant B] is verhuisd, zodat eerst beoordeeld moet worden of zij nog belang heeft bij deze procedure. Procesbelang is het belang dat iemand heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat diegene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. In beginsel heeft degene die opkomt tegen een besluit, procesbelang bij een beoordeling van zijn bezwaar of beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen. Indien iemand stelt dat hij schade heeft geleden en tot op zekere hoogte aannemelijk maakt dat hij die schade daadwerkelijk en als gevolg van het in geding zijnde besluit heeft geleden, heeft diegene in beginsel ook belang bij inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4059, onder 4.1 en 4.3. De uitkomst van deze procedure heeft voor [appellant B] geen feitelijke betekenis meer omdat zij is verhuisd. Dat zij hoger beroep heeft ingesteld op het moment dat zij nog wel in de omgeving van ‘t Zomernest woonde, zoals zij tijdens de zitting bij de Afdeling heeft toegelicht, verandert daar niets aan. Verder heeft zij niet gesteld dat zij schade heeft geleden. Het hoger beroep van [appellant B] is daarom niet-ontvankelijk. Is de exploitatie van de openbare inrichting in strijd met het bestemmingsplan "De Driehoek 2016"?
4. Het betoog dat de exploitatievergunning in strijd met bestemmingsplan "De Driehoek 2016" is verleend, heeft [appellante A] tijdens de zitting bij de Afdeling ingetrokken. De Afdeling zal over deze beroepsgrond daarom geen oordeel geven.
Is de exploitatie van de openbare inrichting in strijd met het bestemmingsplan "Parkeernormen"?
5. In zaak nr. 202301590/1/A3 heeft [appellante A] dezelfde gronden aangevoerd ten aanzien van Lazy Tiger. De Afdeling heeft daar in haar uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2025:5580, een oordeel over gegeven. De Afdeling verwijst daarom naar die uitspraak. Het betoog slaagt niet.
Zijn er problemen met de openbare orde en openbare veiligheid en wordt de woon- en leefsituatie op ontoelaatbare wijze nadelig beïnvloed?
6. Artikel 1:8 van de APV bepaalt dat de vergunning in ieder geval kan worden geweigerd in het belang van de openbare orde en openbare veiligheid. [appellante A] heeft erop gewezen dat ter plaatse een parkeerverbod geldt en dat auto’s ter hoogte van [bedrijf] in de berm worden geparkeerd als gevolg van het feit dat er te weinig parkeerplaatsen gerealiseerd zijn. Dat levert volgens haar gevaarlijke situaties op, onder andere door vrachtwagens die daar rijden in verband met een eendenslachterij in de buurt. De burgemeester heeft ter zitting toegelicht dat geconstateerd is dat er auto’s in de berm geparkeerd worden, maar dat heeft geen aanleiding gegeven om daar iets tegen te doen. Hij heeft er daarbij op gewezen dat ter plaatse geen parkeerverbod geldt en dat het dus is toegestaan om in de berm te parkeren. Dat heeft [appellante A] tijdens de zitting niet weersproken. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de burgemeester zich daarom op het standpunt mogen stellen dat hij de vergunning niet heeft hoeven weigeren in het belang van de openbare orde of openbare veiligheid.
7. [appellante A] heeft verder betoogd dat de woon- en leefsituatie op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed en dat de burgemeester daarin aanleiding had moeten zien om geen exploitatievergunning te verlenen. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank daarover en in de onder 5 tot en met 5.5 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. In hoger beroep heeft [appellante A] niet toegelicht waarom het oordeel van de rechtbank daarover niet juist is.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
8. Het hoger beroep van [appellante A] is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.
Proceskosten
9. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van [appellant B] niet-ontvankelijk;
II. verklaart het hoger beroep van [appellante A] ongegrond;
III. bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzitter, en mr. C.C.W. Lange en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.R. Renkema, griffier.
w.g. Drop
voorzitter
w.g. Renkema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2025
1071