Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2025:5660

Raad van State

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
21 november 2025
Zaaknummer
202407925/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 10 Opvangrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling rechtmatigheid grensdetentie en afwijzing schadevergoeding

De minister van Asiel en Migratie legde op 22 november 2024 een vrijheidsontnemende maatregel op aan betrokkene. Betrokkene stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 24 december 2024 het beroep gegrond verklaarde, de vrijheidsontnemende maatregel ophefte en schadevergoeding toekende.

De minister stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en oordeelde dat het Justitieel Complex Schiphol wel een gespecialiseerde bewaringsaccommodatie is in de zin van artikel 10, eerste lid, van de Opvangrichtlijn, waardoor de grensdetentie rechtmatig was.

Betrokkene voerde aan minderjarig te zijn, maar de Afdeling vond onvoldoende aanwijzingen om de meerderjarigheid te betwijfelen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, het verzoek om schadevergoeding afgewezen en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, het beroep van betrokkene ongegrond en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

202407925/1/V3.
Datum uitspraak: 21 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 24 december 2024 in zaak nr. NL24.49998 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 22 november 2024 heeft de minister betrokkene een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 24 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. E. Stap, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Betrokkene heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1.       De minister komt terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat het Justitieel Complex Schiphol geen gespecialiseerde bewaringsaccommodatie is in de zin van artikel 10, eerste lid, van de Opvangrichtlijn en dat de tenuitvoerlegging van de grensdetentie daarom onrechtmatig is. De Afdeling verwijst naar haar uitspraken van 29 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:258, en 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:789.
1.1.    De grief slaagt.
2.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
3.       Betrokkene voert aan dat hij stukken heeft waaruit blijkt dat hij minderjarig is.
3.1.    Betrokkene heeft een echt bevonden Keniaans paspoort, waarin staat dat hij is geboren op [geboortedatum] 2003. De Afdeling ziet in het dossier onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat de minister er niet van mocht uitgaan dat betrokkene meerderjarig is en dat de tenuitvoerlegging van de grensdetentie daarom onrechtmatig is.
3.2.    De beroepsgrond slaagt niet.
4.       Omdat de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de grensdetentie onrechtmatig te achten, is het beroep alsnog ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 24 december 2024 in zaak nr. NL24.49998;
III.      verklaart het beroep ongegrond;
IV.      wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Kraak, griffier.
w.g. De Poorter
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Kraak
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 november 2025
1020