ECLI:NL:RVS:2025:565

Raad van State

Datum uitspraak
13 februari 2025
Publicatiedatum
13 februari 2025
Zaaknummer
202500601/1/V1 en 202500601/2/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 91 Vw 2000Art. 92 Vw 2000
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verblijfsvergunning asiel na verblijf in westers land bevestigd

De minister van Asiel en Migratie wees op 21 november 2024 de aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 22 januari 2025 ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat uit eerdere jurisprudentie volgt dat vreemdelingen die in een westers land verbleven niet automatisch een reëel risico op ernstige schade lopen bij terugkeer naar Afghanistan. Nieuwe wetgeving in Afghanistan met strengere leefregels geeft geen aanleiding dit oordeel te wijzigen. Het hoger beroep bevatte geen relevante vragen voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel is ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen.

Uitspraak

202500601/1/V1 en 202500601/2/V1.
Datum uitspraak: 13 februari 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van Pro de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 22 januari 2025 in zaak nr. NL24.46924 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 21 november 2024 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 22 januari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. U.H. Hansma, advocaat in Groningen, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.       In de uitspraak van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4648, onder 12 tot en met 12.2, heeft de Afdeling geoordeeld dat uit informatie uit openbare bronnen niet volgt dat vreemdelingen die in een westers land hebben verbleven, alleen al om die reden een reëel risico op ernstige schade lopen als zij vrijwillig terugkeren naar Afghanistan. Vreemdelingen die vrijwillig terugkeren naar Afghanistan na een verblijf in het Westen, zijn daarom niet aan te merken als groep die een reëel risico op ernstige schade loopt. De uitvaardiging in augustus 2024 van nieuwe wetgeving met strengere leefregels in Afghanistan geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Het betoog van de vreemdeling dat hij door die nieuwe wetgeving alleen al vanwege zijn verblijf in het Westen een reëel risico op ernstige schade loopt, faalt.
2.       Het hoger beroep leidt ook verder niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.       wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier.
w.g. Borman
voorzieningenrechter
w.g. Hanrath
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2025
392