AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Ongegrondverklaring beroep tegen handhavingsbesluit veehouderij Doetinchem
Appellant betwistte het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Doetinchem om het bezwaar tegen het niet-handhaven van vermeende strijdigheden met het bestemmingsplan bij een veehouderij ongegrond te verklaren.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat het verzoek om handhaving onder het overgangsrecht van de Wabo valt, omdat het verzoek vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet was ingediend. Het college had opnieuw beoordeeld of het scheiden en bewerken van mest en de tijdelijke opslag daarvan in strijd was met het bestemmingsplan en concludeerde dat dit niet het geval was.
De Afdeling oordeelde dat de mobiele mestscheider en de container niet als bouwwerken in de zin van de Wabo kunnen worden aangemerkt, omdat zij slechts tijdelijk op het perceel aanwezig zijn. Het gebruik van de mestscheider en opslag past binnen de bestemming 'Agrarisch gebied', omdat de mest afkomstig is van de eigen veehouderij en de dikke fractie dezelfde dag wordt afgevoerd.
Appellant stelde dat het gebruik omgevingsvergunningplichtig was, maar de Afdeling verwierp dit omdat het gebruik binnen de agrarische bestemming valt en niet als ondergeschikte nevenactiviteit kan worden aangemerkt. Het beroep werd ongegrond verklaard en het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen het handhavingsbesluit is ongegrond verklaard en het besluit van het college bevestigd.
Uitspraak
202301378/1/R4.
Datum uitspraak: 19 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in Doetinchem,
appellante,
en
het college van burgemeester en wethouders van Doetinchem,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 31 januari 2023 heeft het college opnieuw het bezwaar van [appellant] ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 25 augustus 2025, waar [appellant], vertegenwoordigd door ir. A.K.M. van Hoof, rechtsbijstandverlener te Wageningen, en het college, vertegenwoordigd door mr. L. Mekouar, J.R. Loet-Loetoer, ir. H.A.M. Jansen en ing. H.H. Navis, zijn verschenen. Verder is op de zitting [partij], vertegenwoordigd door mr. B. Timmermans, rechtsbijstandverlener te Assen, vergezeld door [persoon] als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt.
Het verzoek om handhaving van de Wabo is gedaan op 16 maart 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. [partij] exploiteert aan de [locatie] in Doetinchem (hierna: het perceel) een veehouderij. [appellant] woont in de omgeving van de veehouderij. Bij het besluit van 8 juni 2020 heeft het college het verzoek om handhaving van [appellant] met betrekking tot het houden van dieren en het opslaan, gescheiden houden of verwerken van mest in strijd met het bestemmingsplan op de veehouderij afgewezen. Bij het besluit van 29 oktober 2020 heeft het college de afwijzing van het verzoek om handhaving in stand gelaten. Bij de uitspraak van 27 januari 2022 in zaak nr. 20/6374, heeft de rechtbank Gelderland het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Bij de uitspraak van 7 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3623, heeft de Afdeling het door [appellant] daartegen ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 27 januari 2022 vernietigd en het besluit van 29 oktober 2020 vernietigd. Verder heeft de Afdeling met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bepaald dat tegen het door het college nieuw te nemen besluit op bezwaar slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.
3. Bij het besluit van 31 januari 2023 heeft het college opnieuw het bezwaar ongegrond verklaard. Volgens het college is het scheiden en bewerken van mest door middel van een mestscheider en de opslag van mest buiten vergunde bouwwerken niet in strijd met ter plaatse geldende bestemmingsplan "Doetinchem Buitengebied 2000, herziening 2002" (hierna: het bestemmingsplan).
[appellant] kan zich niet verenigen met dat besluit waarin de afwijzing van het verzoek om handhaving in stand is gelaten.
Strijd met het bestemmingsplan
4. [appellant] betoogt dat het college in het besluit van 31 januari 2023 ten onrechte een ander standpunt heeft ingenomen dan het standpunt dat het college had ten tijde van de zitting voorafgaand aan de uitspraak van de Afdeling van 7 december 2022. Daartoe wijst [appellant] erop dat in de uitspraak van de Afdeling van 7 december 2022 staat dat tussen partijen niet in geschil is dat het bestaande gebruik van het perceel voor het scheiden en bewerken van mest door middel van een mestscheider en de opslag van mest buiten daarvoor vergunde bouwwerken in strijd was met het aan de beheersverordeningen voorafgaande bestemmingsplan.
4.1. In de uitspraak van de Afdeling van 7 december 2022 is het college opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen en te beoordelen of het scheiden en bewerken van mest door middel van een mestscheider en de opslag van mest buiten vergunde bouwwerken in strijd is met het ten tijde van het besluit geldende planologisch regime. Ook is overwogen dat als het college tot het oordeel komt dat die activiteiten in strijd zijn met het geldende planologisch regime, het college zal moeten beoordelen of het daartegen handhavend moet optreden. Gelet op deze opdracht heeft het college naar het oordeel van de Afdeling terecht in het besluit van 31 januari 2023 opnieuw beoordeeld of strijd bestaat met het op dat moment geldende bestemmingsplan.
Het betoog slaagt niet.
5. [appellant] betoogt daarnaast dat het scheiden en bewerken van mest door middel van een mestscheider en de opslag van mest buiten vergunde bouwwerken in strijd is met de op grond van het bestemmingsplan rustende bestemming "Agrarisch gebied" en dus omgevingsvergunningplichtig is. Zij voert verder aan dat uit artikel 5, tiende lid, van de planregels volgt dat het bewerken van agrarische producten een niet direct door het bestemmingsplan toegelaten activiteit betreft.
5.1. Op grond van het bestemmingsplan rust op het perceel de bestemming "Agrarisch gebied".
Artikel 5, eerste lid, van de planregels luidt: "De op de plankaart als "Agrarisch gebied" aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. agrarische bedrijvigheid"
Artikel 1 vanPro de planregels luidt: "agrarische bedrijvigheid: bedrijvigheid, geheel of overwegend gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen van agrarische producten door het telen van gewassen en/of het houden van dieren."
Artikel 5, tiende lid, van de planregels luidt: "Burgemeester en wethouders zijn bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in lid 1, ten behoeve van het gebruiken van bestaande agrarische bedrijfsgebouwen binnen een bouwperceel waar sprake is van agrarische bedrijvigheid als hoofdactiviteit voor het volgende niet-agrarisch gebruik, uitsluitend als ondergeschikte nevenactiviteit: [...]
b. bewerking van agrarische producten, die op het eigen bedrijf of in de direkte omgeving daarvan gelegen agrarische bedrijven zijn geproduceerd.
[...]."
5.2. Het begrip "bouwwerk" is in de Wabo niet omschreven. Voor de uitleg van dit begrip wordt volgens vaste rechtspraak van de Afdeling aangesloten bij de omschrijving van dit begrip in de modelbouwverordening. Deze omschrijving luidt: "elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren". Als hieraan wordt voldaan, dan gaat het dus om een bouwwerk.
5.3. De Afdeling is van oordeel dat de mobiele mestscheider voor het scheiden en bewerken van mest en de container voor de opslag van gescheiden ingedikte mest niet kunnen worden aangemerkt als bouwwerken als bedoeld in de Wabo. Hierbij is van belang dat zowel de mobiele mestscheider als de container voor een korte periode op het perceel staan. [partij] heeft op de zitting toegelicht dat de vrachtwagen met de scheidingsinstallatie niet vaker dan vier niet achtereenvolgende dagen per jaar op het perceel komt en dat de gescheiden ingedikte mest in een container wordt gelost die nog dezelfde dag wordt afgevoerd van het perceel. Hieruit blijkt dat de mobiele mestscheider en container niet bedoeld zijn om gedurende een langere tijd ter plaatse van het perceel te functioneren. Gelet op het voorgaande is voor de mobiele mestscheider en container geen omgevingsvergunning vereist als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo.
5.4. De Afdeling is verder van oordeel dat het scheiden en bewerken van mest door middel van een mestscheider moet worden aangemerkt als gebruik dat past binnen de op het perceel rustende bestemming "Agrarisch gebied". Daartoe is van belang dat de mest voor het scheiden en bewerken uitsluitend afkomstig is van de eigen veehouderij van [partij]. Deze mest wordt eerst tijdelijk opgeslagen in een mestkelder, daarna opgepompt en met een mobiele mestscheider gescheiden in een dunne en dikke fractie, waarna de dunne fractie in een mestbassin wordt gepompt en de dikke fractie wordt afgevoerd. De dunne fractie wordt vervolgens gebruikt voor het bemesten van het akkerland van [partij]. Het college heeft zich gelet hierop terecht op het standpunt gesteld dat het scheiden en bewerken van mest onderdeel is van de agrarische bedrijvigheid van de veehouderij van [partij].
Omdat, zoals hiervoor overwogen onder 5.3, de dikke fractie dezelfde dag wordt afgevoerd van het perceel en niet, zoals [appellant] veronderstelt in een container op het perceel blijft staan, is naar het oordeel van de Afdeling geen sprake van opslag van deze mest op het perceel.
Het college heeft zich gelet op het voorgaande terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, omdat het scheiden en bewerken van mest en de tijdelijke opslag van die mest niet in strijd is met het bestemmingsplan.
Omdat het college in het bestreden besluit een meststof een agrarisch product noemt, stelt [appellant] dat daarop artikel 5, tiende lid, van de planregels van toepassing is. Deze bepaling maakt het mogelijk een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan te verlenen om bestaande agrarische bedrijfsgebouwen te gebruiken voor niet-agrarisch gebruik, uitsluitend als ondergeschikte nevenactiviteit. Nu, zoals hiervoor is overwogen, het geconstateerde gebruik past binnen de bestemming "Agrarisch gebied", kan dat gebruik, wat er ook zij van de kwalificatie van het college, niet worden aangemerkt als ondergeschikte nevenactiviteit als bedoeld in artikel 5, tiende lid, van de planregels. Dit betekent dat, anders dan [appellant] betoogt, uit artikel 5, tiende lid, van de planregels niet volgt dat het scheiden en bewerken van mest in strijd is met het bestemmingsplan.
5.5. Gelet op het voorgaande heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het niet bevoegd was handhavend op te treden.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond.
7. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.