ECLI:NL:RVS:2025:5591
Raad van State
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bevoegdheid CBR tot opleggen onderzoek rijgeschiktheid ondanks termijnoverschrijding
Deze zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam inzake het opleggen van een onderzoek naar rijgeschiktheid door het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR).
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft overwogen dat het overschrijden van de termijn van vier weken, zoals genoemd in artikel 131, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, niet leidt tot onbevoegdheid van het CBR om het onderzoek op te leggen. Appellant heeft geen concrete argumenten aangevoerd die deze jurisprudentie zouden weerleggen.
Feiten uit het proces-verbaal tonen aan dat appellant een gevaarlijke situatie op de A16 heeft veroorzaakt en een alcoholgehalte van 565 µg/l in het bloed had. Het CBR mocht hieruit een vermoeden van ongeschiktheid afleiden en was gebonden om het onderzoek op te leggen. De Afdeling oordeelt dat de door appellant aangevoerde bijzondere omstandigheden, zoals een posttraumatische-stressstoornis en sociaal isolement, niet leiden tot een onevenredig nadeel dat het opleggen van het onderzoek zou moeten verhinderen.
De Afdeling bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Tevens wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het CBR is bevoegd het onderzoek naar rijgeschiktheid op te leggen ondanks termijnoverschrijding.