Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2025:5574

Raad van State

Datum uitspraak
20 november 2025
Publicatiedatum
18 november 2025
Zaaknummer
BRS.25.000823
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:78 AwbArt. 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging bewaring vreemdeling en afwijzing hoger beroep tegen rechtbankuitspraak

Appellant is op 18 juni 2025 door de minister van Asiel en Migratie in bewaring gesteld. Tegen dit besluit heeft appellant beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die op 2 juli 2025 het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees. Appellant stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

In het hoger beroep stelde appellant onder meer dat de uitspraak van de rechtbank niet in het openbaar was gedaan omdat de bekendmaking via het digitale loket buiten openingstijden plaatsvond. De Afdeling oordeelde dat de uitspraak geacht moet worden in het openbaar te zijn gedaan, conform de wettelijke vereisten, en verwierp deze grief. Een tweede grief van appellant werd niet inhoudelijk behandeld omdat deze geen belang had voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Afdeling zag ook geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

BRS.25.000823
Datum uitspraak: 20 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 2 juli 2025 in zaak nr. NL25.27103 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 18 juni 2025 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 2 juli 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. S.C. van Paridon, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.        Appellant voert in zijn eerste grief aan dat de rechtbank de uitspraak van 2 juli 2025 niet in het openbaar heeft gedaan, omdat de uitspraak om 07.37 uur in het digitaal loket bekend is gemaakt en hij om 07.38 uur de e-mail hierover ontving. Dit is buiten de openingstijden van de rechtbank. Daarom kan er geen openbaarmakingszitting zijn geweest, aldus appellant.
1.1.        Ingevolge artikel 8:78 van Pro de Awb moet een uitspraak in het openbaar worden uitgesproken. Indien de uitspraak vermeldt dat deze in het openbaar op een bepaalde datum is uitgesproken, dient ervan uitgegaan te worden dat dit zo is. Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA2830, onder 2.3.
1.2.        In de uitspraak van 17 oktober 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB6843, onder 2.2.1 heeft de Afdeling overwogen dat het in het openbaar uitspreken van de beslissing in ieder geval niet later kan plaatsvinden dan op de dag van de bekendmaking van de uitspraak door verzending van een afschrift van de uitspraak aan partijen. Er is geen rechtsregel die zich ertegen verzet dat een rechtbank de uitspraak eerst aan partijen bekendmaakt en later, op dezelfde dag, in het openbaar uitspreekt. In dit geval staat in de uitspraak dat deze is uitgesproken in het openbaar en bekend is gemaakt op 2 juli 2025. Dat de bekendmaking in de ochtend van 2 juli 2025 buiten de openingstijden van de rechtbank heeft plaatsgevonden, is onvoldoende om hieraan te twijfelen.
1.3.        De grief faalt.
2.        Wat appellant in de tweede grief heeft aangevoerd, leidt ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de tweede grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3.        De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Weber
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 november 2025
846-1122