Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2025:5477

Raad van State

Datum uitspraak
12 november 2025
Publicatiedatum
12 november 2025
Zaaknummer
202306207/1/R2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.12 WaboArt. 4 Besluit omgevingsrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vergunning tijdelijke uitbreiding kinderdagverblijf ondanks strijd bestemmingsplan

Het college van burgemeester en wethouders van Bernheze verleende op 1 juni 2021 een omgevingsvergunning voor de tijdelijke uitbreiding van een agrarisch kinderdagverblijf van 36 naar 64 kindplaatsen op een perceel met een melkveehouderij in Nistelrode. Appellanten, wonend naast het perceel, maakten bezwaar tegen deze uitbreiding vanwege strijd met het bestemmingsplan en mogelijke aantasting van hun woon- en leefklimaat.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt deze uitspraak. De Afdeling oordeelt dat het college de tijdelijke uitbreiding ruimtelijk aanvaardbaar heeft beoordeeld, mede omdat het kinderdagverblijf reeds was toegestaan en de uitbreiding plaatsvindt binnen bestaande bebouwing. Ook is geen strijd met de Structuurvisie Bernheze of het VAB-beleid vastgesteld.

Verder is geoordeeld dat het college voldoende rekening heeft gehouden met het belang van appellanten bij een goed woon- en leefklimaat. De vermeende geluidsoverlast en verkeersbewegingen leiden niet tot een onevenredige aantasting. De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt het besluit tot vergunningverlening voor vijf jaar.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de tijdelijke uitbreiding van het kinderdagverblijf wordt bevestigd.

Uitspraak

202306207/1/R2.
Datum uitspraak: 12 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B], beiden wonend in Nistelrode, gemeente Bernheze (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellanten]),
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost­-Brabant van 18 augustus 2023 in zaak nr. 22/155 in het geding tussen:
[appellanten]
en
het college van burgemeester en wethouders van Bernheze.
Procesverloop
Bij besluit van 1 juni 2021 heeft het college aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor de tijdelijke uitbreiding van 36 naar 64 kindplaatsen van kinderdagverblijf "De Dierenvriendjes" op het perceel [locatie 1] in Nistelrode.
Bij besluit van 19 november 2021 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 augustus 2023 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellanten] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[partij] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 15 september 2025, waar [appellant A], bijgestaan door mr. N.M.C.H. Crooijmans, advocaat in Deurne, en het college, vertegenwoordigd door mr. L. van Herpen en M. Hultermans, zijn verschenen. Voorts is op de zitting [partij], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. P.J.G. Goumans, advocaat in Nijmegen, als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het hoger beroep blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.
Inleiding
2.       Op het perceel is een melkveehouderij gevestigd. Bij besluit van 24 mei 2017 heeft het college aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een agrarisch kinderdagverblijf voor maximaal 36 kinderen in een van de bestaande opstallen op het perceel. De nu voorliggende in bezwaar gehandhaafde omgevingsvergunning gaat over de uitbreiding van het kinderdagverblijf naar 64 kindplaatsen voor de duur van vijf jaar. De uitbreiding is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Bernheze" op grond waarvan de gronden de bestemming "Agrarisch" met de functieaanduiding ‘agrarisch bedrijf’ hebben. Het college heeft de omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef onder a, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), gelezen in samenhang met artikel 4, aanhef en onderdeel 11, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. [appellanten] woont op het perceel [locatie 2] naast het kinderdagverblijf en verzet zich tegen de vergunde uitbreiding. Hij vreest voor aantasting van zijn woon- en leefklimaat.
De beroepsgronden
3.       [appellanten] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de voorziene tijdelijke uitbreiding van het kinderdagverblijf in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. [appellanten] heeft hierover aangevoerd dat het college met de omgevingsvergunning van 24 mei 2017 een kinderdagverblijf als zijnde nevenactiviteit bij de agrarische hoofdactiviteit heeft toegestaan en dat met de nu vergunde uitbreiding van een nevenactiviteit geen sprake meer is. Met de uitbreiding naar 64 kindplaatsen is namelijk sprake van twee volwaardige zelfstandige hoofdactiviteiten op het perceel. [appellanten] heeft hierover aangevoerd dat deze ontwikkeling niet binnen de transitie in het buitengebied past en de rechtbank dit ten onrechte niet relevant heeft geacht. Volgens [appellanten] heeft het college het begrip transitie te ruim uitgelegd en wordt met transitie bedoeld dat agrarische bedrijven steeds vaker zoeken naar nevenactiviteiten om extra inkomsten te genereren, waarvan in dit geval dus geen sprake is.
3.1.    Omdat het kinderdagverblijf met 36 kindplaatsen in strijd is met het bestemmingsplan heeft het college de omgevingsvergunning van 24 mei 2017 verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo. In de aan die vergunning ten grondslag liggende ruimtelijke onderbouwing is de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een kinderdagverblijf met 36 kindplaatsen beoordeeld. In die beoordeling is niet specifiek betrokken of het kinderdagverblijf al dan niet een nevenactiviteit of een zelfstandige hoofdactiviteit bij het agrarisch bedrijf was. Dus de vergunning uit 2017 geeft geen uitsluitsel of het kinderdagverblijf als nevenactiviteit of als zelfstandige hoofdactiviteit is vergund. Wat wel duidelijk is, is dat bij die vergunning een kinderdagverblijf met 36 kindplaatsen als extra activiteit op het perceel is vergund. De betrokken activiteiten waren dus al op het perceel toegestaan. De hier aangevochten omgevingsvergunning gaat alleen over de tijdelijke uitbreiding van het aantal kindplaatsen naar 64. Het college heeft daarbij de aard en omvang van deze uitbreiding beoordeeld en geconcludeerd dat dit inpasbaar en ruimtelijk aanvaardbaar is op deze locatie. Daarbij is meegewogen dat het kinderdagverblijf gevestigd zal zijn in bestaande bebouwing op het perceel en dat een agrarisch kinderdagverblijf met deze omvang niet uitzonderlijk is. Het college heeft bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid terecht als uitgangspunt genomen dat een kinderdagverblijf op het perceel al was toegestaan. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college dan ook voldoende onderbouwd waarom een tijdelijke uitbreiding van 36 naar 64 kindplaatsen op het perceel ruimtelijk aanvaardbaar is
Niet gebleken is bovendien dat deze ontwikkeling niet past binnen de visie van de gemeente over transitie in het buitengebied. Die transitie brengt mee dat boeren zoeken naar mogelijkheden om de agrarische bedrijfsactiviteiten te combineren met andere bedrijfsactiviteiten. Ten tijde van de besluitvorming was er nog geen transitiebeleid voor het buitengebied vastgesteld met kaders waarbinnen agrarische bedrijven zich kunnen ontwikkelen. Omdat de gewenste ontwikkeling op het perceel past in de visie van het college dat de transitie waarin agrarische bedrijven zich bevinden ruimere gebruiksmogelijkheden van agrarisch percelen wenselijk maakt, heeft het college in afwachting van het nieuwe beleid voor het buitengebied een tijdelijke omgevingsvergunning voor een periode van maar vijf jaar verleend. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat het college dit niet zo heeft mogen doen.
Het betoog faalt.
4.       [appellanten] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, als de omgevingsvergunning in strijd moet worden geacht met de Structuurvisie Bernheze, het college de vergunning willens en wetens in afwijking van de Structuurvisie heeft verleend. [appellanten] heeft er op gewezen dat het college zich in het besluit op het standpunt heeft gesteld dat de uitbreiding van het kinderdagverblijf voldoet aan de Structuurvisie en dat er dus van afwijking daarvan geen sprake is. Omdat het in dit geval niet meer om een nevenactiviteit gaat, is de voorziene uitbreiding echter wel in strijd met de Structuurvisie, aldus [appellanten].
[appellanten] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het VAB-beleid niet van toepassing is op de voorliggende situatie en dat, als dat wel het geval zou zijn, de uitbreiding van het kinderdagverblijf daarmee in strijd is. Het VAB-beleid gaat namelijk alleen over stoppende boeren en leegstaande agrarische bedrijfsbebouwing.
4.1.    De rechtbank heeft in wat [appellanten] heeft aangevoerd terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college in de door de raad van de gemeente Bernheze in 2010 vastgestelde Structuurvisie en het VAB-beleid van het college, dat is opgenomen in de "Beleidsnotitie aanpak VAB Bernheze" van 14 december 2017, reden had moeten zien om niet mee te werken aan de gewenste tijdelijke ontwikkeling.
Dat in de Structuurvisie niets staat vermeld over de situatie dat er naast het agrarisch bedrijf een tweede bedrijf of andere bedrijfsactiviteiten op het perceel ontstaan, betekent niet dat deze ontwikkeling daarom daarmee in strijd is. Zoals het college op de zitting terecht heeft opgemerkt, staat in de Structuurvisie niet dat alleen nevenactiviteiten zijn toegestaan. De Structuurvisie verzet zich dus niet tegen het verlenen van de aangevochten omgevingsvergunning.
In het besluit van 8 april 2021 over de gevraagde verklaring van geen bedenkingen heeft de gemeenteraad bovendien vermeld dat hij achter een tijdelijke vergunning voor de uitbreiding van het kinderdagverblijf staat in afwachting van nieuw beleid. Daaruit volgt dat de gemeenteraad ook geen belemmeringen zag voor een tijdelijke toestemming voor twee volwaardige bedrijven op het perceel. Gelet daarop ziet de Afdeling geen reden dat het college de tijdelijke uitbreiding niet acceptabel mocht vinden.
In de beleidsnotitie aanpak VAB Bernheze staat dat hoofduitgangspunt van het beleid is het tegengaan van verrommeling door het herbestemmen of slopen van leegstaande stallen, zo nodig na een tijdelijk toegelaten afwijkend gebruik. Aangezien de uitbreiding van het kinderdagverblijf is gerealiseerd op de verdieping van een bestaande stal van het melkveebedrijf en dus binnen bestaande leegstaande bebouwing die voorheen werd gebruikt voor het agrarisch bedrijf, heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het in de beleidsnotitie neergelegde beleid zich tegen de tijdelijke uitbreiding verzet.
Het betoog slaagt niet.
Woon- en leefklimaat
5.       [appellanten] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het college bij de afweging van de bij het besluit betrokken belangen onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn belang bij het behoud van een goed woon- en leefklimaat. [appellanten] heeft hierover aangevoerd dat het college het stemgeluid van de in het kinderdagverblijf aanwezige kinderen niet op de juiste wijze in beeld heeft gebracht. De kinderen blijven namelijk niet binnen, maar spelen over het gehele perceel en zorgen daardoor voor veel geluidoverlast. Ook zal de uitbreiding volgens [appellanten] leiden tot een forse toename van verkeersbewegingen op ’t Broek voor zijn woning, een afgelegen weg waar vrijwel geen verkeer komt.
5.1.    De rechtbank is van oordeel dat dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat het woon- en leefklimaat van [appellanten] niet onevenredig zal worden aangetast als gevolg van de voorziene uitbreiding van het kinderdagverblijf op het perceel. De rechtbank is gemotiveerd ingegaan op de beroepsgronden van [appellanten] die gaan over de te verwachten geluid- en verkeerhinder. De Afdeling kan zich vinden in dit oordeel van de rechtbank en in de overwegingen 21, 22, 23, 24 en 25 waarop zij dat oordeel heeft gebaseerd. De Afdeling verwijst daar kortheidshalve naar. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
6.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
7.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, griffier.
w.g. Van Gastel
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Deen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2025
604