ECLI:NL:RVS:2025:5464

Raad van State

Datum uitspraak
12 november 2025
Publicatiedatum
12 november 2025
Zaaknummer
202306562/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 RWNArt. 15 RWNArt. 16 RWN
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering paspoortaanvraag wegens verlies Nederlanderschap en optieverklaring

De ouders van appellante vroegen op 15 augustus 2022 een Nederlands paspoort voor haar aan bij de Nederlandse ambassade in Turkije. De minister weigerde deze aanvraag in behandeling te nemen omdat appellante op 14 december 2012 het Nederlanderschap had verloren door afstand van haar vader, wat automatisch het verlies van het Nederlanderschap van minderjarige kinderen tot gevolg heeft.

De rechtbank oordeelde dat appellante een optieverklaring moet afleggen om een Unierechtelijke evenredigheidstoets te kunnen ondergaan, aangezien deze toets sinds 1 april 2022 niet meer bij paspoortaanvragen wordt uitgevoerd. Appellante stelde dat de rechtbank onvoldoende rekening hield met de onevenredige gevolgen van het verlies van het Nederlanderschap voor haar.

De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat appellante geen concrete aanknopingspunten had aangeleverd om het oordeel van de rechtbank te weerleggen. De minister handelde terecht door te stellen dat de optieverklaring vereist is. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de paspoortaanvraag bevestigd.

Uitspraak

202306562/1/A3.
Datum uitspraak: 12 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats] (Turkije),
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 september 2023 in zaak nr. 22/7763 in het geding tussen:
[appellante]
en
de minister van Buitenlandse Zaken.
Procesverloop
Bij besluit van 14 september 2022 heeft de minister geweigerd de aanvraag van de ouders van [appellante] namens haar voor een Nederlands paspoort in behandeling te nemen.
Bij besluit van 25 november 2022 heeft de minister het door de ouders van [appellante] daartegen gemaakte bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 27 september 2023 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 10 september 2025. Partijen zijn niet verschenen.
Overwegingen
Inleiding en besluitvorming
1.       [appellante] is geboren op [geboortedatum] in Winschoten. Op 15 augustus 2022 hebben haar ouders voor haar een Nederlands paspoort aangevraagd bij de Nederlandse ambassade in Turkije. De minister heeft geweigerd deze aanvraag in behandeling te nemen. Daarbij heeft hij zich op het standpunt gesteld dat [appellante] op 14 december 2012 het Nederlanderschap heeft verloren. Haar vader heeft namelijk op deze dag afstand gedaan van het Nederlanderschap, wat automatisch het verlies van het Nederlanderschap van zijn minderjarige kinderen met zich brengt. Dit volgt uit de artikelen 15, eerste lid, aanhef en onder b, en 16, eerste lid, aanhef en onder d, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN). Ook heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat hij geen Unierechtelijke evenredigheidstoets kan uitvoeren bij paspoortaanvragen die zijn ingediend na 1 april 2022. Volgens de minister moeten de ouders van [appellante] hiervoor ten behoeve van [appellante] een optieverklaring afleggen in de zin van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder p, van de RWN.
Uitspraak van de rechtbank
2.       De rechtbank heeft geoordeeld dat de bevoegdheid van de minister om de Unierechtelijke evenredigheidstoets uit te voeren sinds 1 april 2022 wettelijk is geregeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder p, van de RWN. Omdat de aanvraag van [appellante] dateert van 15 augustus 2022 moet zij een optieverklaring zoals bedoeld in bovengenoemd artikel afleggen als zij een beroep wil doen op de Unierechtelijke evenredigheidstoets, aldus de rechtbank.
Wettelijk kader
3.       Artikel 6, eerste lid, aanhef en onder p, van de RWN luidde ten tijde van belang: "Na het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke verklaring verkrijgt door een bevestiging als bedoeld in het derde lid het Nederlanderschap: de vreemdeling die het Nederlanderschap van rechtswege heeft verloren, indien met dat verlies het Unieburgerschap verloren ging en op dat moment redelijkerwijs voorzienbaar was dat dit tot onevenredige gevolgen uit het oogpunt van het Unierecht zou leiden. De herkrijging geschiedt met terugwerkende kracht tot en met het moment waarop het Nederlanderschap verloren ging. Het tweede lid is niet van toepassing".
Artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, van de RWN luidde ten tijde van belang: "Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren: door het afleggen van een verklaring van afstand;".
Artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, van de RWN luidde ten tijde van belang: "Het Nederlanderschap gaat voor een minderjarige verloren: indien zijn vader of moeder het Nederlanderschap verliest ingevolge artikel 15, eerste lid, onder b, c of d, of ingevolge artikel 15A;".
Beoordeling van het hoger beroep
4.       [appellante] betoogt in hoger beroep dat de rechtbank heeft miskend dat het verlies van het Nederlanderschap onevenredige gevolgen voor haar heeft. De minister had volgens [appellante] in de Unierechtelijke evenredigheidstoets moeten meewegen dat zij niet zelf heeft gekozen om afstand te doen van het Nederlanderschap. Zij was op het moment van verlies van het Nederlanderschap zeven jaar en was noodgedwongen met haar ouders naar Turkije verhuisd. De rechtbank had de minister erop moeten wijzen dat hij in dit geval een Unierechtelijk evenredigheidstoets moest uitvoeren, aldus [appellante].
5.       De Afdeling stelt vast dat [appellante] het oordeel van de rechtbank dat zij voor het herkrijgen van het Nederlanderschap in verband met de onevenredige gevolgen daarvan de procedure van de optieverklaring moet doorlopen, omdat de Unierechtelijke evenredigheidstoets sinds 1 april 2022 niet meer in de paspoortprocedure wordt uitgevoerd, niet met zoveel woorden heeft bestreden. De Afdeling heeft in haar uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2025:5370, geoordeeld dat het Unierecht er op zichzelf niet aan in de weg staat dat de gevolgen van het verlies van het Unieburgerschap uitsluitend worden beoordeeld in een van de paspoortprocedure losstaande procedure, indien in de paspoortprocedure blijkt van het verlies van het Nederlanderschap, en daarmee van het Unieburgerschap, van rechtswege. [appellante] heeft geen aanknopingspunten aangereikt voor het oordeel dat het moeten afleggen van de optieverklaring ter beoordeling van de Unierechtelijke evenredigheid van de gevolgen van het verlies van het Nederlanderschap het in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maken om de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten uit te oefenen. Ook is daarvan in haar geval niet gebleken. Gelet hierop heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat hij vanaf 1 april 2022 in het kader van de paspoortaanvraagprocedure geen Unierechtelijke evenredigheidstoets kan uitvoeren. [appellante] dient daarvoor een optieverklaring af te leggen zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder p, van de RWN. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen. De door [appellante] aangevoerde gronden zien op de omstandigheden die hadden moeten worden meegewogen in de Unierechtelijke evenredigheidstoets en kunnen in de optieverklaringsprocedure aan de orde komen. Met deze aangevoerde gronden heeft zij geen aanknopingspunten aangereikt voor een ander oordeel.
Het betoog slaagt niet.
Slotsom
6.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
7.       De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. Singh, griffier.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Singh
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2025
990