ECLI:NL:RVS:2025:5404

Raad van State

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
11 november 2025
Zaaknummer
202404779/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M. den Heyer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd

Op 11 november 2025 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan in een hoger beroep van de minister van Asiel en Migratie tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 26 juli 2024. In deze zaak ging het om de afwijzing van een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, welke was gedaan op 24 januari 2024. De rechtbank had het beroep van de betrokkene gegrond verklaard en de minister opgedragen om een nieuw besluit te nemen. De minister ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.

De Afdeling heeft in haar overwegingen vastgesteld dat uit eerdere rechtspraak blijkt dat vreemdelingen die in een westers land hebben verbleven, niet automatisch een reëel risico op ernstige schade lopen bij terugkeer naar Afghanistan. De minister heeft terecht betoogd dat er geen nader onderzoek nodig is naar de risico’s voor deze groep. De Afdeling heeft het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen naar de rechtbank voor verdere behandeling. De rechtbank moet nu beoordelen of de minister voldoende heeft gemotiveerd dat de asielmotieven van de betrokkene bij terugkeer naar Afghanistan geen reëel risico op ernstige schade opleveren. De minister is niet verplicht om de proceskosten te vergoeden.

Uitspraak

202404779/1/V1.
Datum uitspraak: 11 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 26 juli 2024 in zaak nr. NL24.3238 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 24 januari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 26 juli 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de minister opgedragen om een nieuw besluit op de aanvraag te nemen met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. I.N. Schalken, advocaat in Apeldoorn, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.       In de uitspraak van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4648, onder 12 tot en met 12.2, heeft de Afdeling geoordeeld dat uit informatie uit openbare bronnen niet volgt dat vreemdelingen die in een westers land hebben verbleven, alleen al om die reden een reëel risico op ernstige schade lopen als zij vrijwillig terugkeren naar Afghanistan. Vreemdelingen die vrijwillig terugkeren naar Afghanistan na een verblijf in het Westen, zijn daarom niet aan te merken als groep die een reëel risico op ernstige schade loopt. De minister betoogt terecht dat zij geen nader onderzoek hoeft te doen naar de risico’s voor Afghaanse vreemdelingen die terugkeren uit Europa. De grief slaagt.
2.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling wijst de zaak naar de rechtbank terug om door haar te worden behandeld, waarbij zij het oordeel van de Afdeling in deze uitspraak in acht neemt (artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb). Dit betekent dat de rechtbank moet beoordelen of de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat de asielmotieven van betrokkene bij terugkeer naar Afghanistan geen reëel risico op ernstige schade opleveren. De rechtbank zal zich hierbij in elk geval nog moeten uitlaten over de beroepsgronden die betrokkene heeft aangevoerd over de werkzaamheden van zijn vader, de opvang in Afghanistan en Pakistan, de veiligheidssituatie in Afghanistan in het licht van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en zijn etnische afkomst. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 26 juli 2024 in zaak nr. NL24.3238;
III.      wijst de zaak naar de rechtbank terug.
Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.S. van den Oosterkamp, griffier.
w.g. Den Heyer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van den Oosterkamp
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 november 2025
941-1118