ECLI:NL:RVS:2025:5220
Raad van State
- Hoger beroep
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Vernietiging proceskostenvergoeding in hoger beroep asielverblijfsvergunning
Appellant had een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel gekregen van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Tegen een wijziging van de ingangsdatum van deze vergunning stelde appellant beroep in bij de rechtbank. De rechtbank stelde appellant in het gelijk en bepaalde een eerdere ingangsdatum dan de minister had vastgesteld.
Appellant was het echter niet eens met de proceskostenvergoeding die de rechtbank toekende en ging in hoger beroep bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte geen punten had toegekend voor een schriftelijke reactie van appellant op het standpunt van de minister, waardoor de proceskostenvergoeding te laag was vastgesteld.
De Afdeling vernietigde het deel van het vonnis over de proceskostenvergoeding en veroordeelde de minister tot een hogere vergoeding van in totaal € 2.721,00, inclusief een correctie voor het hoger beroep. Hiermee werd de vergoeding aangepast aan de regels van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot een hogere proceskostenvergoeding van € 2.721,00 aan appellant.