ECLI:NL:RVS:2025:52
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel na niet-in behandeling nemen aanvraag
De vreemdeling heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie bij besluit van 18 september 2024 niet in behandeling is genomen. Hiertegen stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 10 december 2024 ongegrond verklaarde. De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het hoger beroep niet leidt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de minister mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië, en dat de vreemdeling onvoldoende heeft gesteld om aan te tonen dat er een reëel risico bestaat op schending van fundamentele rechten bij overdracht aan Kroatië.
Het risico op indirect refoulement kan niet in het kader van de Dublinprocedure worden beoordeeld, mede omdat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn vrees in Kroatië niet kan aanvoeren. De Afdeling verwijst naar eerdere jurisprudentie ter onderbouwing van dit standpunt.
Daarom wordt het hoger beroep ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.