ECLI:NL:RVS:2025:5095
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bewonersparkeervergunning wegens voldoende eigen parkeergelegenheid
Appellant beschikte tot 30 juni 2022 over een bewonersparkeervergunning voor het wooncomplex waarin hij woont. Na het verlopen van deze vergunning vroeg hij op 12 juli 2022 een nieuwe vergunning aan, die door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag werd afgewezen. Het college motiveerde dit met het feit dat appellant kan parkeren op een parkeerterrein naast het wooncomplex en dat bewoners met eigen parkeergelegenheid geen vergunning krijgen vanwege druk op de openbare ruimte.
Appellant maakte bezwaar tegen deze afwijzing en stelde dat het college in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld en de hoorplicht heeft geschonden, omdat hij alleen telefonisch kon worden gehoord en niet persoonlijk. Hij verwees ook naar een stilzwijgende verlenging van de eerdere vergunning en het ontbreken van advies van een bezwaarschriftencommissie.
De rechtbank oordeelde dat het college de aanvraag redelijk heeft afgewezen, het vertrouwensbeginsel niet is geschonden en de hoorplicht niet is overtreden. De Raad van State bevestigt dit oordeel en voegt toe dat appellant erkent dat er voldoende eigen parkeergelegenheid is, ook al ligt deze verder van zijn woning. Dit maakt volgens de Afdeling niet dat appellant geen gebruik kan maken van een eigen parkeerplaats. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de parkeervergunning bevestigd.