ECLI:NL:RVS:2025:4986
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
Appellant diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke op 17 juli 2024 door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid werd afgewezen. Hiertegen stelde appellant beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 6 november 2024 het beroep ongegrond verklaarde.
Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep geen gronden bevatte die beantwoording behoefden in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. De gewijzigde situatie in Syrië eind 2024 werd niet betrokken bij het oordeel, omdat dit niet binnen het toetsingskader viel.
De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De minister werd niet verplicht proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer, onder voorzitterschap van mr. J.J.W.P. van Gastel.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel wordt bevestigd.