ECLI:NL:RVS:2025:4959
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering aanvraag Nederlands paspoort wegens ontbreken Nederlanderschap
Appellante, geboren in de Dominicaanse Republiek en houder van de Dominicaanse nationaliteit, stelde dat zij automatisch het Nederlanderschap had verkregen via erkenning door haar vader, die volgens haar ook Nederlander zou zijn door erkenning en wettiging. Zij diende een aanvraag in voor een Nederlands paspoort, die door de minister werd geweigerd omdat onvoldoende bewijs bestond dat zij de Nederlandse nationaliteit bezit.
De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende objectieve aanknopingspunten zijn om vast te stellen dat de vader van appellante Nederlander is, waardoor appellante zelf ook niet Nederlander is. Dit oordeel werd bevestigd in hoger beroep. De overgelegde documenten uit de Dominicaanse Republiek toonden tegenstrijdigheden en onduidelijkheden omtrent erkenning en wettiging van de vader, en het enkele feit dat de vader eerder een Nederlands paspoort had, was niet doorslaggevend.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat appellante onvoldoende heeft aangetoond dat haar vader Nederlander is en dat de minister de aanvraag terecht niet in behandeling heeft genomen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de minister om de paspoortaanvraag in behandeling te nemen wordt bevestigd.