ECLI:NL:RVS:2025:4772

Raad van State

Datum uitspraak
9 oktober 2025
Publicatiedatum
6 oktober 2025
Zaaknummer
BRS.25.000291
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van een appellant die een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd heeft aangevraagd. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft deze aanvraag op 6 april 2023 afgewezen, waarna het bezwaar van de appellant op 5 juni 2024 ongegrond werd verklaard. De rechtbank Den Haag heeft op 21 februari 2025 het beroep van de appellant tegen deze afwijzing eveneens ongegrond verklaard. De appellant, geboren op 10 mei [jaartal] en met de Burundese nationaliteit, heeft een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf ingediend, die eerder is afgewezen. De minister heeft gesteld dat de appellant niet voldoet aan het mvv-vereiste en het paspoortvereiste, wat door de rechtbank is bevestigd. In hoger beroep betoogt de appellant dat de rechtbank ten onrechte niet heeft erkend dat hij vanwege een lopende asielprocedure niet naar Burundi kan reizen om een paspoort aan te vragen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de eerste grief van de appellant slaagt, omdat de rechtbank niet heeft meegewogen dat de appellant een lopende asielprocedure heeft. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep wordt ongegrond verklaard. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep.

Uitspraak

BRS.25.000291
Datum uitspraak: 9 oktober 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 februari 2025 in zaak nr. NL24.27027 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 6 april 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 5 juni 2024 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 21 februari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. H.H.R. Bruggeman, advocaat in Leiderdorp, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
Inleiding
1.        Appellant is geboren op 10 mei [jaartal] en heeft de Burundese nationaliteit. Zijn moeder (hierna: referent) heeft op 18 april 2016 een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: een mvv) in het kader van artikel 8 van het EVRM ingediend voor appellant. De minister heeft die aanvraag afgewezen en het bezwaar bij besluit van 16 november 2016 ongegrond verklaard, omdat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn tussen appellant en referent. Dat besluit staat in rechte vast.
1.1.        Appellant is naar eigen zeggen op 22 oktober 2022 Nederland ingereisd. Vervolgens heeft hij op 7 december 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf als familie- en gezinslid bij referent. De minister heeft die aanvraag afgewezen, omdat appellant niet voldoet aan het mvv-vereiste. Appellant komt volgens de minister niet in aanmerking voor vrijstelling van het mvv-vereiste, omdat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn tussen hem en referent. Ook heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat appellant niet voldoet aan het paspoortvereiste uit artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard en heeft daarbij overwogen dat de minister terecht heeft tegengeworpen dat appellant niet aan het paspoortvereiste voldoet. Omdat dit een zelfstandige afwijzingsgrond is, heeft de rechtbank het mvv-vereiste niet besproken.
Hoger beroep
2.        De eerste grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister niet ten onrechte heeft tegengeworpen dat appellant niet aan het paspoortvereiste voldoet. Appellant betoogt onder meer dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op de omstandigheid dat appellant vanwege een lopende asielprocedure niet naar Burundi kan afreizen om daar een paspoort aan te vragen.
2.1.        Appellant betoogt terecht dat de rechtbank ten onrechte niet in haar oordeel heeft betrokken dat hij op 29 april 2023 een aanvraag heeft ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en de minister daarom ten tijde van het besluit op bezwaar niet van hem mocht verwachten dat hij naar Burundi reist om daar een paspoort aan te vragen. Appellant heeft de rechtbank er in zijn beroepsgronden expliciet op gewezen dat hij een lopende asielprocedure heeft. De rechtbank heeft daarom ten onrechte overwogen dat de minister niet ten onrechte aan appellant heeft tegengeworpen dat hij niet aan het paspoortvereiste voldoet. Daarbij merkt de Afdeling op dat de minister in het besluit van 5 juni 2024 ook niet is ingegaan op de invloed van de lopende asielprocedure op het paspoortvereiste. De grief slaagt.
3.        De tweede grief heeft geen zelfstandige betekenis. Omdat de eerste grief slaagt, slaagt deze grief ook.
Conclusie hoger beroep
4.        Het hoger beroep is gegrond. Het is niet nodig wat appellant verder aanvoert te bespreken. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist. De minister moet de proceskosten in hoger beroep vergoeden. Omdat de griffier geen griffierecht heeft geheven, hoeft de minister dat niet te vergoeden.
Beroepsgronden waarover de Afdeling nog een oordeel moet geven
5.        Appellant betoogt tevergeefs dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij de familierechtelijke relatie met referent niet aannemelijk heeft gemaakt. De door appellant overgelegde kopie van een geboorteakte en andere documenten zijn onvoldoende om de familierechtelijke relatie aannemelijk te maken, omdat de minister de documenten niet op echtheid kan onderzoeken. De minister heeft zich in het besluit dus terecht op het standpunt gesteld dat appellant de familierechtelijke relatie onvoldoende met stukken heeft onderbouwd. Overigens heeft de minister in het besluit alsnog inhoudelijk beoordeeld of er bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn tussen appellant en referent.
6.        Appellant heeft verder betoogd dat de minister ten onrechte geen bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen appellant en referent heeft aangenomen. Volgens appellant heeft de minister ten onrechte verwezen naar haar standpunt in het besluit van 16 november 2016, omdat de omstandigheden sindsdien zijn veranderd.
6.1.        In het besluit van 16 november 2016 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn tussen appellant en referent. Dat besluit staat in rechte vast. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de ten tijde van het besluit op bezwaar al 35-jarige appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sindsdien wel bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn. Appellant heeft in dit kader gewezen op de door referent mogelijk gemaakte reis naar Nederland en op het feit dat hij na zijn aankomst in Nederland bij referent en zijn halfzusjes heeft verbleven. De minister heeft echter terecht in haar beoordeling betrokken dat appellant in het aanmeldgehoor van zijn asielprocedure heeft verklaard dat hij niet van plan is om bij referent te gaan wonen, maar wel in de buurt. Bovendien heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant het bestaan van bijkomende elementen van afhankelijkheid niet met stukken heeft onderbouwd.
6.2.        Voor zover appellant heeft betoogd dat de minister ten onrechte geen belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM heeft gemaakt, slaagt dit betoog niet. Uit de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188, onder 5.1, volgt immers dat de minister geen belangenafweging hoeft te maken als zij terecht heeft vastgesteld dat er geen familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM bestaat.
6.3.        De minister heeft zich gelet op het voorgaande terecht op het standpunt gesteld dat zij, omdat zijn uitzetting niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM, appellant niet behoeft vrij te stellen van het mvv-vereiste. De beroepsgrond slaagt niet.
7.        Tot slot heeft appellant tevergeefs betoogd dat de minister ten onrechte ervan heeft afgezien om hem te horen in bezwaar. Zoals de Afdeling heeft overwogen bij uitspraak van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, onder 5 tot en met 5.3, is het uitgangspunt dat de minister een vreemdeling hoort in bezwaar en moet zij terughoudend omgaan met uitzonderingen op haar hoorplicht. De minister mag alleen krachtens artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van het horen in bezwaar afzien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de motivering van het besluit van 6 april 2023 en wat appellant daartegen in bezwaar heeft aangevoerd, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat aan die maatstaf is voldaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie beroep
8.        Het beroep is ongegrond. De minister hoeft in beroep geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 februari 2025 in zaak nr. NL24.27027;
III.        verklaart het beroep ongegrond;
IV.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Pronk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2025
1028