ECLI:NL:RVS:2025:4694
Raad van State
- Hoger beroep
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over termijn besluit machtiging voorlopig verblijf
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank had het beroep gegrond verklaard en de minister opgedragen binnen een termijn tot 30 december 2026 een besluit te nemen.
In hoger beroep klaagt appellant terecht dat de rechtbank ten onrechte een beslistermijn van 90 dagen hanteerde, gerekend vanaf het moment dat de minister de aanvraag inhoudelijk in behandeling neemt volgens het 'first in, first out'-principe. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat deze termijn in strijd is met artikel 8:55d van de Awb en de Gezinsherenigingsrichtlijn.
De Afdeling vernietigt daarom het vonnis van de rechtbank voor zover deze de minister een termijn tot 30 december 2026 gaf en vervangt deze door een systeem van termijnen variërend van vier tot twintig weken, afhankelijk van of de minister gelegenheid tot herstel van verzuimen en/of nader onderzoek aanbiedt.
Daarnaast veroordeelt de Afdeling de minister tot vergoeding van de proceskosten van appellant, vastgesteld op €907,00. De uitspraak is gedaan door een enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 1 oktober 2025.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt de uitspraak van de rechtbank en stelt nieuwe termijnen voor het nemen van een besluit op de aanvraag machtiging voorlopig verblijf.