ECLI:NL:RVS:2025:4541
Raad van State
- Hoger beroep
- J.M. Willems
- J.A.W. Scholten-Hinloopen
- J.F. de Groot
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke dwangsommen en invorderingen wegens onrechtmatige omzetting woonruimte in Deventer
Appellant, bestuurder en eigenaar van woningen in Deventer, kreeg dwangsombesluiten opgelegd wegens het omzetten van zelfstandige woonruimte naar onzelfstandige woonruimte zonder vergunning, gericht op woningen verhuurd aan arbeidsmigranten. Het college van burgemeester en wethouders van Deventer legde dwangsommen op en vorderde deze in na geconstateerde overtredingen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond voor de invorderingsbesluiten, maar gegrond voor de dwangsombesluiten, omdat het college onvoldoende had gemotiveerd dat appellant nog overtreder was. Het college stelde incidenteel hoger beroep in tegen dit oordeel.
De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt het deel van de uitspraak van de rechtbank dat de dwangsombesluiten ten gunste van appellant heeft beoordeeld en verklaart het incidenteel hoger beroep van het college gegrond. De Afdeling oordeelt dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet langer overtreder was, onder meer omdat hij geen bewijs leverde van beëindiging van huurrelaties met arbeidsmigranten. Tevens bevestigt de Afdeling dat het college bevoegd was de dwangsommen in te vorderen ondanks de intrekking van de eerdere Huisvestingsverordening.
De besluiten van 27 november 2024 zijn vernietigd omdat zij gebaseerd waren op de vernietigde uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het incidenteel hoger beroep van het college gegrond, met vernietiging van delen van de uitspraak rechtbank en besluiten van november 2024.