ECLI:NL:RVS:2025:453
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling en weigering opvang
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 23 mei 2024 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 10 december 2024 ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht hij om een voorlopige voorziening om te voorkomen dat hij wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist, alsmede om opvang en verstrekkingen.
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State stelde vast dat het verzoek geen spoedeisend belang bevatte. Zonder spoedeisend belang is het niet noodzakelijk een voorlopige voorziening te treffen. Daarom werd het verzoek afgewezen. Tevens werd de minister niet verplicht tot vergoeding van proceskosten.
De uitspraak werd gedaan op 6 februari 2025 door voorzieningenrechter D.A. Verburg in aanwezigheid van griffier J. van de Kolk. Hiermee blijft het besluit van de staatssecretaris en de uitspraak van de rechtbank in stand totdat het hoger beroep inhoudelijk wordt behandeld.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen uitzetting en voor opvang wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.