ECLI:NL:RVS:2025:426
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van verlies Nederlanderschap en Unieburgerschap na verblijf in Zwitserland
Appellant, geboren in Nederland met dubbele nationaliteit (Nederlands en Zwitsers), verloor het Nederlanderschap op grond van de Rijkswet op het Nederlanderschap omdat hij als minderjarige langdurig buiten de EU verbleef. De minister stelde zijn aanvraag voor een Nederlands paspoort buiten behandeling omdat appellant niet langer Nederlander is.
Appellant voerde aan dat het verlies van het Nederlanderschap in strijd is met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel, onder meer omdat hij minderjarig was en het verlies gevolgen heeft voor zijn rechten als Unieburger, zoals studeren in de EU en het Erasmusprogramma. Ook stelde hij dat het belang van het kind onvoldoende is meegewogen en dat hij een affectieve band met Nederland heeft.
De Afdeling overwoog dat het verlies van het Nederlanderschap en Unieburgerschap een Unierechtelijke evenredigheidstoets vereist. Hoewel het voorzienbaar was dat appellant in de EU zou studeren, leidt het verlies niet tot bijzondere moeilijkheden omdat hij als Zwitsers staatsburger onder een bilaterale overeenkomst valt die vrije toegang tot de EU regelt. Het argument over de Erasmusbeurs faalt omdat Zwitserse onderwijsinstellingen sinds 2014 niet deelnemen aan het Erasmusprogramma.
De Afdeling concludeert dat het verlies van het Nederlanderschap en Unieburgerschap in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel en bevestigt het besluit van de minister. Appellant krijgt niet met terugwerkende kracht het Nederlanderschap terug en zijn aanvraag voor een paspoort is terecht afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot buiten behandeling stellen van de paspoortaanvraag bevestigd.