ECLI:NL:RVS:2025:4223
Raad van State
- Hoger beroep
- G.T.J.M. Jurgens
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkheid beroep niet tijdig beslissen inzake Leegstandswet vergunning
Appellanten hebben een vergunning op grond van de Leegstandswet uit 2014 voor een woning in Egmond aan den Hoef. De kantonrechter oordeelde dat vanaf 1 januari 2020 een reguliere huurovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan. Appellanten verzochten in 2022 het college om intrekking, herziening of vernietiging van de vergunning. Het college weigerde dit vanwege een lopende procedure. Appellanten maakten bezwaar tegen deze weigering en stelden beroep in tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar.
De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat de e-mail van het college geen besluit zou zijn. De Afdeling bestuursrechtspraak stelt echter vast dat het college geen besluit heeft genomen op het bezwaar binnen de wettelijke termijn en vernietigt de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling neemt het bezwaar zelf inhoudelijk in behandeling.
De Afdeling oordeelt dat de e-mail van het college niet afkomstig is van een bevoegd bestuursorgaan, omdat geen mandaat of delegatie aan de advocaat was gegeven. Daardoor is de e-mail geen besluit in de zin van de Awb en is het bezwaar tegen deze e-mail kennelijk niet-ontvankelijk.
De Afdeling veroordeelt het college tot vergoeding van de proceskosten en vergoedt het griffierecht aan appellanten. De uitspraak treedt in de plaats van het niet tijdig genomen besluit en maakt een einde aan de procedure over het bezwaar.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de e-mail van het college is kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het niet tijdig beslissen gegrond verklaard.