ECLI:NL:RVS:2025:4159
Raad van State
- Hoger beroep
- J.H. van Breda
- J. Schipper-Spanninga
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing aanvraag verblijfsdocument gemeenschapsonderdaan
Betrokkene, een Nigeriaanse staatsburger, vroeg om afgifte van een verblijfsdocument als gemeenschapsonderdaan op grond van artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De staatssecretaris wees dit verzoek op 17 november 2022 af en verklaarde het bezwaar ongegrond op 21 december 2023. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en vernietigde het besluit, waarbij werd vastgesteld dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom er geen afhankelijkheidsrelatie bestond tussen betrokkene en zijn stiefdochter, en ten onrechte bijzondere omstandigheden vereiste bij de belangenafweging volgens artikel 8 EVRM Pro.
De minister stelde hoger beroep in. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de minister terecht bijzondere omstandigheden mag eisen bij de belangenafweging onder artikel 8 EVRM Pro, omdat betrokkene het gezinsleven is aangegaan tijdens illegaal verblijf. Dit volgt uit jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en eerdere uitspraken van de Afdeling. De grief van de minister wordt gegrond verklaard.
De zaak wordt terugverwezen voor een nieuw besluit op bezwaar, waarbij de minister rekening moet houden met de uitspraak van de Afdeling en de rechtbank, en bij de belangenafweging bijzondere omstandigheden mag eisen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard en de zaak wordt terugverwezen voor een nieuw besluit waarbij bijzondere omstandigheden mogen worden vereist.