ECLI:NL:RVS:2025:3955

Raad van State

Datum uitspraak
20 augustus 2025
Publicatiedatum
20 augustus 2025
Zaaknummer
202407783/1/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 10 Opvangrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen onrechtmatige grensdetentie en weigering schadevergoeding

De minister van Asiel en Migratie legde op 18 november 2024 een vrijheidsontnemende maatregel op aan betrokkene. Betrokkene stelde beroep in tegen deze maatregel, waarop de rechtbank Den Haag op 20 december 2024 het beroep gegrond verklaarde, de maatregel ophefte en schadevergoeding toekende.

De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigde het vonnis van de rechtbank en oordeelde dat het Justitieel Complex Schiphol (JCS) ten tijde van de grensdetentie van betrokkene nog wel als gespecialiseerde bewaringsaccommodatie kwalificeerde volgens artikel 10, eerste lid, van de Opvangrichtlijn. Hierdoor was de tenuitvoerlegging van de grensdetentie rechtmatig.

Betrokkene voerde medische klachten aan, maar de Afdeling vond dat de minister terecht geen lichter middel hoefde toe te passen gezien de aanwezige medische voorzieningen in het JCS. Het beroep van betrokkene werd ongegrond verklaard, het verzoek om schadevergoeding afgewezen en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van betrokkene ongegrond verklaard met afwijzing van schadevergoeding.

Uitspraak

202407783/1/V3.
Datum uitspraak: 20 augustus 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 20 december 2024 in zaak nr. NL24.48774 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 18 november 2024 heeft de minister betrokkene een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 20 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. L.J. Meijering, advocaat in Assen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.       De minister komt terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat het JCS onder de omstandigheden ten tijde van de grensdetentie van betrokkene geen gespecialiseerde bewaringsaccommodatie meer was in de zin van artikel 10, eerste lid, van de Opvangrichtlijn en dat de tenuitvoerlegging van de grensdetentie daarom onrechtmatig is. De Afdeling verwijst naar haar uitspraken van 29 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:258, en 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:789.
1.1.    De grief slaagt.
2.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
3.       Betrokkene heeft in beroep aangevoerd dat hij medische problemen heeft, slecht slaapt en gestrest is. De minister hoefde hierin geen aanleiding te zien om een lichter middel op te leggen. Zij heeft zich in de maatregel terecht op het standpunt gesteld dat in het JCS voldoende medische voorzieningen aanwezig zijn.
3.1.    De beroepsgrond faalt.
4.       Omdat de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de grensdetentie onrechtmatig te achten, is het beroep alsnog ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 20 december 2024 in zaak nr. NL24.48774;
III.      verklaart het beroep ongegrond;
IV.      wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.A. de Jong, griffier.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Jong
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2025
981