ECLI:NL:RVS:2025:3954
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over onrechtmatigheid grensdetentie en schadevergoeding
Bij besluit van 29 december 2024 legde de minister van Asiel en Migratie aan betrokkene een vrijheidsontnemende maatregel op. Betrokkene stelde beroep in tegen de wijze van tenuitvoerlegging van deze maatregel. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep gegrond voor zover het ging om de periode tot 2 januari 2025 en oordeelde dat het JCS toen geen gespecialiseerde bewaringsaccommodatie was, waardoor de detentie onrechtmatig was. De rechtbank beval tevens schadeloosstelling aan betrokkene.
Zowel de minister als betrokkene stelden hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep van de minister gegrond is, verwijzend naar eerdere uitspraken waarin het JCS wel als gespecialiseerde bewaringsaccommodatie werd aangemerkt. Het hoger beroep van betrokkene werd ongegrond verklaard omdat het geen nieuwe rechtsvragen bevatte.
De Afdeling vernietigde het deel van de uitspraak van de rechtbank dat de detentie tot 2 januari 2025 onrechtmatig verklaarde en de minister opdroeg tot schadeloosstelling. Voor het overige bevestigde de Afdeling de uitspraak van de rechtbank. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard en het beroep van betrokkene ongegrond; de onrechtmatigheid van de grensdetentie tot 2 januari 2025 wordt verworpen en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.