ECLI:NL:RVS:2025:3945
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot proceskostenvergoeding na intrekking hoger beroep in asielzaak
Verzoeker had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag betreffende zijn asielaanvraag. Tijdens de procedure heeft verzoeker het hoger beroep ingetrokken en tegelijkertijd verzocht om proceskostenvergoeding op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat een proceskostenveroordeling kan worden toegewezen indien de minister aan verzoeker is tegemoetgekomen of het belang bij een uitspraak op het hoger beroep door toedoen van de minister is komen te vervallen. In deze zaak heeft de minister de asielaanvraag van verzoeker op 10 juli 2025 alsnog ingewilligd, ondanks dat de beslistermijn van vijftien maanden was overschreden.
De Afdeling stelde vast dat verzoeker niet heeft aangegeven het besluit van de minister niet te accepteren, waardoor geen beroep van rechtswege is ontstaan. De Afdeling besloot de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten die verzoeker heeft gemaakt in verband met het hoger beroep, waarbij een wegingsfactor van 0,5 werd toegepast omdat het hoger beroep uitsluitend betrekking had op het niet tijdig nemen van een besluit.
De proceskostenvergoeding werd vastgesteld op €453,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 20 augustus 2025.
Uitkomst: De minister van Asiel en Migratie is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van €453,50.