ECLI:NL:RVS:2025:3783
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
Appellant diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 5 december 2023 werd afgewezen. Hiertegen maakte appellant bezwaar, dat op 27 november 2024 door de minister ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, die op 16 april 2025 het beroep ongegrond verklaarde.
Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hogerberoepschrift bevatte geen nieuwe rechtsvragen die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. De Afdeling verwees naar eerdere jurisprudentie, waaronder een uitspraak van 9 juli 2025, waarin een soortgelijke rechtsvraag was beantwoord.
De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak op 12 augustus 2025.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt bevestigd.