ECLI:NL:RVS:2025:3563
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlies Nederlanderschap minderjarige door nationaliteitsverlies vader
Appellante, geboren in 1998 in de Verenigde Staten met Nederlandse, Canadese en Amerikaanse nationaliteiten, vroeg op 20 december 2019 een Nederlands paspoort aan. De minister van Buitenlandse Zaken nam de aanvraag niet in behandeling omdat appellante sinds 1 april 2013 het Nederlanderschap zou hebben verloren door het verlies van het Nederlanderschap van haar vader op die datum. Volgens artikel 16, eerste lid, onder d, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) zou zij als minderjarige het Nederlanderschap verliezen wanneer haar vader dit verliest.
De rechtbank oordeelde dat de uitzonderingsgrond uit artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e, RWN, die behoud van Nederlanderschap regelt bij vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit, niet van toepassing is omdat appellante de andere nationaliteit bij geboorte verkreeg en niet vrijwillig. De rechtbank vond het verlies niet in strijd met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel en verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellante dat de uitzonderingsgrond ook geldt voor verkrijging van nationaliteit door geboorte, niet alleen bij vrijwillige verkrijging. De Afdeling bestuursrechtspraak verwierp dit betoog en bevestigde dat artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e, RWN, ziet op vrijwillige verkrijging en niet op verkrijging door geboorte. De Afdeling bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan in het openbaar op 30 juli 2025 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verlies van het Nederlanderschap van appellante wordt bevestigd.