ECLI:NL:RVS:2025:3508
Raad van State
- Hoger beroep
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank wegens overschrijding wettelijke termijn in vreemdelingenbewaring
Bij besluit van 21 april 2024 legde de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid appellant een vrijheidsontnemende maatregel op. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze maatregel op 4 juni 2024 ongegrond. Appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De kern van het geschil betreft de overschrijding van de wettelijke termijn van zeven dagen voor het doen van uitspraak na sluiting van het onderzoek in bewaringszaken, zoals voorgeschreven in artikel 94, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en artikel 8:78 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank had niet binnen deze termijn uitspraak gedaan, wat leidt tot onrechtmatigheid van de bewaring vanaf de dag na het verstrijken van de termijn.
De Raad van State constateerde dat de rechtbank geen bijzondere omstandigheden kon aanvoeren die de overschrijding rechtvaardigen. Daarom werd de overschrijding als onrechtmatig beoordeeld, het hoger beroep gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd. Omdat de bewaring inmiddels was opgeheven, was een bevel tot opheffing niet nodig. Appellant kreeg een schadevergoeding toegekend en de minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt de uitspraak van de rechtbank wegens overschrijding van de wettelijke termijn en kent appellant een schadevergoeding toe.