ECLI:NL:RVS:2025:3182
Raad van State
- Hoger beroep
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over vrijheidsontnemende maatregel in grensdetentie
De minister van Asiel en Migratie legde op 11 november 2024 een vrijheidsontnemende maatregel op aan betrokkene. Betrokkene stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel, waarop de rechtbank op 12 december 2024 de maatregel opheft en schadevergoeding toekent.
De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling stelde vast dat het hoger beroep ontvankelijk is, omdat de rechtbank onjuist artikel 96 Vreemdelingenwet Pro 2000 als grondslag koos in plaats van artikel 94, eerste lid.
De Afdeling beoordeelde vervolgens de rechtsvraag over de rechtmatigheid van de grensdetentie in het Justitieel Complex Schiphol en sloot zich aan bij eerdere uitspraken waarin deze rechtmatigheid werd bevestigd. Het betoog van betrokkene dat de duur van de grensdetentie in strijd zou zijn met de Opvangrichtlijn werd verworpen omdat de grensdetentie minder dan dertien weken duurde.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep van de minister gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van betrokkene ongegrond verklaard met afwijzing van het verzoek om schadevergoeding.