AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging uitspraak rechtbank over vrijheidsontnemende maatregel in grensdetentie
De minister van Asiel en Migratie legde op 11 november 2024 een vrijheidsontnemende maatregel op aan betrokkene. Betrokkene stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel, waarop de rechtbank op 12 december 2024 de maatregel opheft en schadevergoeding toekent.
De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling stelde vast dat het hoger beroep ontvankelijk is, omdat de rechtbank onjuist artikel 96 VreemdelingenwetPro 2000 als grondslag koos in plaats van artikel 94, eerste lid.
De Afdeling beoordeelde vervolgens de rechtsvraag over de rechtmatigheid van de grensdetentie in het Justitieel Complex Schiphol en sloot zich aan bij eerdere uitspraken waarin deze rechtmatigheid werd bevestigd. Het betoog van betrokkene dat de duur van de grensdetentie in strijd zou zijn met de Opvangrichtlijn werd verworpen omdat de grensdetentie minder dan dertien weken duurde.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep van de minister gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van betrokkene ongegrond verklaard met afwijzing van het verzoek om schadevergoeding.
Uitspraak
202407503/1/V3.
Datum uitspraak: 15 juli 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 12 december 2024 in zaak nr. NL24.47671 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 11 november 2024 heeft de minister betrokkene een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 12 december 2024 heeft de rechtbank het tegen het voortduren van de maatregel door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van 12 december 2024 bevolen en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
Ontvankelijkheid
1. De Afdeling stelt ambtshalve vast dat de rechtbank artikel 96 vanPro de Vw 2000 als grondslag voor haar uitspraak heeft gekozen. Daartegen staat in beginsel geen hoger beroep open. Maar zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 24 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1857, onder 2 tot en met 3.5, had de rechtbank artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 als grondslag voor haar uitspraak moeten kiezen. Dit betekent dat het hoger beroep van de minister ontvankelijk is.
Beoordeling van het hoger beroep
2. De in de enige grief opgeworpen rechtsvraag over de omstandigheden in het Justitieel Complex Schiphol ten tijde van de grensdetentie van betrokkene tussen 28 november 2024 en 12 december 2024 en de rechtmatigheid van de tenuitvoerlegging van die grensdetentie, heeft de Afdeling bij uitspraken van 29 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:258, en 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:789 beantwoord. Uit de overwegingen van die uitspraken, die hier van overeenkomstige toepassing zijn, vloeit voort dat de grief slaagt.
Conclusie hoger beroep en bespreking beroepsgronden
3. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het is niet nodig wat de minister verder heeft aangevoerd te bespreken. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
4. Betrokkene betoogt dat de duur van de vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn. Dit betoog slaagt niet. Appellant heeft namelijk minder dan dertien weken in grensdetentie verbleven. De Afdeling wijst op haar uitspraak van 1 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2925, onder 3.1 tot en met 3.8.
5. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de grensdetentie onrechtmatig te achten.
Conclusie beroep
6. Het beroep is ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 12 december 2024 in zaak nr. NL24.47671;
III. verklaart het beroep ongegrond;
IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.S. Jiawan, griffier.