Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2025:3163

Raad van State

Datum uitspraak
11 juli 2025
Publicatiedatum
11 juli 2025
Zaaknummer
202501657/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M. den Heyer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 106 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank over opheffing grensdetentie en schadevergoeding in asielzaak

Bij besluit van 4 december 2024 wees de minister van Asiel en Migratie de aanvraag van betrokkene om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. Betrokkene stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 14 maart 2025 het beroep gegrond verklaarde, het besluit vernietigde, en de minister opdroeg een nieuw besluit te nemen. Tevens beval de rechtbank de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel (grensdetentie) en kende betrokkene schadevergoeding toe.

De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De grief betrof het oordeel dat de rechtbank buiten haar bevoegdheid was getreden door de vrijheidsontnemende maatregel op te heffen en schadevergoeding toe te kennen, terwijl hierover een aparte procedure liep. De Afdeling bestuursrechtspraak volgde deze grief en oordeelde dat binnen de asielprocedure geen ruimte bestaat voor toetsing van de rechtmatigheid van de grensdetentie.

Daarom was de rechtbank niet bevoegd tot het bevelen van opheffing van de grensdetentie en het toekennen van schadevergoeding op grond van artikel 106 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De Afdeling vernietigde het deel van de uitspraak van de rechtbank dat hierover handelde en wees de proceskosten aan de minister toe.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt het deel van de uitspraak van de rechtbank dat de opheffing van de grensdetentie en schadevergoeding betreft wegens gebrek aan bevoegdheid.

Uitspraak

202501657/1/V3.
Datum uitspraak: 11 juli 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 14 maart 2025 in zaak nr. NL24.49397 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 4 december 2024 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 14 maart 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak, de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van die dag bevolen en betrokkene schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. M.M. Volwerk, advocaat in Leiden, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.       De minister klaagt in haar enige grief dat de rechtbank buiten de grenzen van het geding is getreden door de vrijheidsontnemende maatregel op te heffen en schadevergoeding toe te kennen. De minister betoogt dat er ten tijde van de uitspraak van de rechtbank ook een hoger beroep aanhangig was over de vrijheidsontnemende maatregel, en dat de rechtbank dit met haar uitspraak heeft doorkruist. Daarnaast ontbreekt een geldige rechtsgrondslag op grond waarvan de rechtbank zich heeft kunnen uitlaten over de vrijheidsontnemende maatregel, aldus de minister.
1.1.    De in deze grief opgeworpen rechtsvraag heeft de Afdeling in haar uitspraak van 14 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1646, onder 2.1, beantwoord. Hieruit volgt dat de grief slaagt. Het beroep van betrokkene was gericht tegen het besluit van 4 december 2024, over de afwijzing van haar asielaanvraag. Binnen die procedure bestaat geen ruimte voor toetsing van de rechtmatigheid van de grensdetentie. De rechtbank was daarom niet bevoegd om de opheffing van de grensdetentie te bevelen en met toepassing van artikel 106 van Pro de Vw 2000 schadevergoeding toe te kennen.
1.2.    De grief slaagt.
2.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover de rechtbank de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel heeft bevolen en schadevergoeding heeft toegekend. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 14 maart 2025 in zaak nr. NL24.49397, voor zover de rechtbank de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel heeft bevolen en schadevergoeding heeft toegekend.
Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.
w.g. Den Heyer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Weber
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2025
846