ECLI:NL:RVS:2025:308

Raad van State

Datum uitspraak
29 januari 2025
Publicatiedatum
29 januari 2025
Zaaknummer
202500116/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens te late indiening in asielzaak

De vreemdeling diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie op 6 september 2024 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht aan de minister om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen.

De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State. Dit hogerberoepschrift werd echter niet tijdig ingediend; de termijn eindigde op 19 december 2024, terwijl het beroepschrift daarna werd ontvangen. De vreemdeling maakte geen gebruik van de mogelijkheid om redenen aan te voeren voor de late indiening.

De Raad van State verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens het niet naleven van de beroepstermijn. De minister werd niet verplicht tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer op 29 januari 2025.

Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening.

Uitspraak

202500116/1/V3.
Datum uitspraak: 29 januari 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 12 december 2024 in zaak nr. NL24.35519 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 6 september 2024 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 12 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 6 september 2024 vernietigd en de minister opgedragen binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.A. Pieters, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling is in de gelegenheid gesteld zich nader uit te laten.
Overwegingen
1.       De termijn voor het instellen van hoger beroep eindigde op 19 december 2024. Het hogerberoepschrift is daarna bij de Raad van State binnengekomen. De vreemdeling heeft het hogerberoepschrift daarom niet op tijd ingediend. De vreemdeling heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid redenen aan te voeren waarom het hoger beroep toch in behandeling moet worden genomen.
2.       Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Dallinga
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2025
18