ECLI:NL:RVS:2025:3
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling
De minister van Asiel en Migratie legde op 24 november 2024 een vrijheidsontnemende maatregel op aan de vreemdeling. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling op 17 december 2024 gegrond en beval wijziging van de tenuitvoerlegging van de maatregel, met schadevergoeding. Zowel de minister als de vreemdeling gingen in hoger beroep.
De vreemdeling verzocht de voorzieningenrechter van de Raad van State om een voorlopige voorziening te treffen die de minister zou verplichten de vrijheidsontnemende maatregel op te heffen. De voorzieningenrechter overwoog dat de rechtbank oordeelde dat de maatregel niet in een gespecialiseerde accommodatie werd uitgevoerd, wat strijdig zou zijn met artikel 10, lid 1, van de Opvangrichtlijn.
Echter, de voorzieningenrechter verwees naar een eerdere uitspraak van 18 december 2024 waarin het verzoek van de minister om een voorlopige voorziening werd toegewezen vanwege het belang van grensbewaking. Onder de gegeven omstandigheden zag de voorzieningenrechter geen reden om van dat oordeel af te wijken en wees het verzoek van de vreemdeling af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt afgewezen.