ECLI:NL:RVS:2025:3

Raad van State

Datum uitspraak
2 januari 2025
Publicatiedatum
2 januari 2025
Zaaknummer
202407661/3/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 lid 3 AwbArt. 10 lid 1 Opvangrichtlijn
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling

De minister van Asiel en Migratie legde op 24 november 2024 een vrijheidsontnemende maatregel op aan de vreemdeling. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling op 17 december 2024 gegrond en beval wijziging van de tenuitvoerlegging van de maatregel, met schadevergoeding. Zowel de minister als de vreemdeling gingen in hoger beroep.

De vreemdeling verzocht de voorzieningenrechter van de Raad van State om een voorlopige voorziening te treffen die de minister zou verplichten de vrijheidsontnemende maatregel op te heffen. De voorzieningenrechter overwoog dat de rechtbank oordeelde dat de maatregel niet in een gespecialiseerde accommodatie werd uitgevoerd, wat strijdig zou zijn met artikel 10, lid 1, van de Opvangrichtlijn.

Echter, de voorzieningenrechter verwees naar een eerdere uitspraak van 18 december 2024 waarin het verzoek van de minister om een voorlopige voorziening werd toegewezen vanwege het belang van grensbewaking. Onder de gegeven omstandigheden zag de voorzieningenrechter geen reden om van dat oordeel af te wijken en wees het verzoek van de vreemdeling af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt afgewezen.

Uitspraak

202407661/3/V3.
Datum uitspraak: 2 januari 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 december 2024 in zaak nr. NL24.47613 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 24 november 2024 heeft de minister de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 17 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de wijziging van de tenuitvoerlegging van de maatregel met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak hebben de minister en de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Ook heeft de vreemdeling de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
Het oordeel van de rechtbank
1.       De rechtbank heeft de minister opgedragen om de vrijheidsontnemende maatregel per direct op een andere plaats dan het Justitieel Complex Schiphol (hierna: JCS) ten uitvoer te leggen. Volgens de rechtbank leidt de recente wijziging van onderdelen van het algemene vreemdelingenbewaringsregime in het JCS tot het oordeel dat de vrijheidsontnemende maatregel niet ten uitvoer wordt gelegd in een gespecialiseerde accommodatie voor vreemdelingenbewaring en is de vrijheidsontneming daarom in strijd met artikel 10, eerste lid, van de Opvangrichtlijn.
Het verzoek van de vreemdeling
2.       De vreemdeling verzoekt de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening te treffen dat de minister de vrijheidsontnemende maatregel moet opheffen.
Beoordeling
3.       Bij uitspraak van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5307, heeft de voorzieningenrechter het verzoek van de minister om een voorlopige voorziening te treffen toegewezen, omdat onder de gegeven omstandigheden doorslaggevend gewicht toekomt aan het door de minister ingeroepen grensbewakingsbelang. De voorzieningenrechter ziet ook nu geen aanleiding om anders te oordelen. Daarom wordt het verzoek van de vreemdeling om een voorlopige voorziening te treffen afgewezen.
4.       De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. Kuijer
voorzieningenrechter
w.g. Van de Kolk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2025
347-1020