ECLI:NL:RVS:2025:2859
Raad van State
- Hoger beroep
- E.J. Daalder
- B.P. Vermeulen
- M.C. Stoové
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking exploitatie- en drank- en horecavergunning wegens sluiting op grond van Opiumwet
De burgemeester van Gouda heeft op 1 juli 2020 de exploitatievergunning en drank- en horecavergunning van een horecabedrijf ingetrokken nadat het pand eerder was gesloten vanwege de aanwezigheid van drugs en een cash center. De sluiting was gebaseerd op artikel 13b van de Opiumwet. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt het besluit van de burgemeester en de uitspraak van de rechtbank Den Haag die het beroep van de eigenaar ongegrond verklaarde.
De intrekking van de vergunningen is primair gebaseerd op het feit dat de leidinggevende van het horecabedrijf leidinggevende is geweest van een horecabedrijf dat langer dan een maand gesloten was op grond van de Opiumwet, zonder dat hem daarvoor geen verwijt valt te maken. De Raad verwijst naar eerdere uitspraken waarin is vastgesteld dat de sluiting terecht was vanwege de aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs, waarbij de aanwezigheid van het cash center niet relevant was.
Daarnaast is vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van het hoger beroep door de Afdeling is overschreden met ruim negen maanden, waardoor aan de appellant een schadevergoeding van €1000 wordt toegekend die door de Staat moet worden betaald. De Afdeling veroordeelt tevens de Staat tot vergoeding van proceskosten voor het verzoek om schadevergoeding.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de vergunningen blijft van kracht. De uitspraak benadrukt de wettelijke grondslagen voor intrekking en bevestigt dat de burgemeester bevoegd was tot sluiting en intrekking op basis van de Opiumwet en de Drank- en Horecawet.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de vergunningen bevestigd.