ECLI:NL:RVS:2025:2668

Raad van State

Datum uitspraak
12 juni 2025
Publicatiedatum
12 juni 2025
Zaaknummer
202500138/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 10, eerste lid, Opvangrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen onrechtmatige grensdetentie en weigering schadevergoeding

Bij besluit van 9 december 2024 legde de minister van Asiel en Migratie aan betrokkene een vrijheidsontnemende maatregel op in de vorm van grensdetentie in het Justitieel Complex Schiphol (JCS). Betrokkene stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 8 januari 2025 het beroep gegrond verklaarde en schadevergoeding toekende vanwege onrechtmatigheid van de detentie.

De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank en oordeelde dat het JCS onder de gegeven omstandigheden wel een gespecialiseerde bewaringsaccommodatie was volgens de Opvangrichtlijn, waardoor de grensdetentie rechtmatig was.

Betrokkene klaagde over onvoldoende medische zorg tijdens de detentie, met name dat zij pas op de zevende dag een arts zag en medicatie onjuist moest innemen. De Afdeling stelde dat deze klachten betrekking hebben op de feitelijke uitvoering van de detentie en daarom niet in deze bestuursrechtelijke procedure beoordeeld kunnen worden, maar via een aparte klachtprocedure.

De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het beroep alsnog ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

202500138/1/V3.
Datum uitspraak: 12 juni 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 8 januari 2025 in zaak nr. NL24.51093 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 9 december 2024 heeft de minister betrokkene een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 8 januari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. A.E.M. de Vries, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.       De minister komt terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat het Justitieel Complex Schiphol (hierna: JCS) onder de omstandigheden ten tijde van de grensdetentie van betrokkene geen gespecialiseerde bewaringsaccommodatie meer was in de zin van artikel 10, eerste lid, van de Opvangrichtlijn en dat de tenuitvoerlegging van de grensdetentie daarom onrechtmatig is. De Afdeling verwijst naar haar uitspraken van 29 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:258, en 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:789.
1.1.    De grief slaagt.
2.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
3.       Betrokkene betoogt dat de grensdetentie onrechtmatig is, omdat zij in het JCS geen adequate medische zorg heeft gekregen. Zij voert daarbij aan dat zij pas op de zevende dag van haar grensdetentie een dokter heeft gezien en dat zij alle medicatie die zij daarna kreeg dagelijks ’s ochtends voor haar ontbijt moest innemen, terwijl een deel van die medicatie niet op een nuchtere maag mag worden ingenomen.
3.1.    Tijdens het gehoor voorafgaande aan de grensdetentie heeft de minister betrokkene gevraagd of er medische omstandigheden zijn waarmee rekening moet worden gehouden. Betrokkene heeft hierop geantwoord dat ze zich goed voelt, maar medicatie gebruikt. Gelet hierop hoefde de minister niet tot de conclusie te komen dat betrokkene detentieongeschikt is. Dat voert betrokkene ook niet aan.
3.2.    De klachten van betrokkene over de medische zorg die zij in het JCS heeft gekregen, zijn gericht tegen de feitelijke tenuitvoerlegging van de grensdetentie. Daarvoor staat een andere rechtsgang open, namelijk de klachtprocedure waarin het Reglement regime grenslogies voorziet. De Afdeling kan deze klachten daarom niet beoordelen. Zij verwijst ter vergelijking naar haar uitspraak van 23 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5288, onder 3.1.
3.3.    De beroepsgrond slaagt niet.
4.       Omdat de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de grensdetentie onrechtmatig te achten, is het beroep alsnog ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 8 januari 2025 in zaak nr. NL24.51093;
III.      verklaart het beroep ongegrond;
IV.     wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Kraak, griffier.
w.g. De Poorter
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Kraak
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2025
846-1020