ECLI:NL:RVS:2025:26
Raad van State
- Hoger beroep
- J.C.A. de Poorter
- J.M. Willems
- J. Schipper-Spanninga
- Rechtspraak.nl
Vaststelling geen familie- en gezinsleven bij mvv-aanvraag en vergoeding wegens termijnoverschrijding
De vreemdeling, Iraans staatsburger, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis bij zijn vader, de referent. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af omdat de feitelijke gezinsband was verbroken en de vreemdeling niet viel onder het jongvolwassenenbeleid. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigt deze uitspraak en verklaart het hoger beroep van de minister gegrond.
De Afdeling oordeelt dat de minister terecht heeft vastgesteld dat er geen sprake is van een familie- en gezinsleven tussen de vreemdeling en de referent, mede omdat de vreemdeling niet financieel afhankelijk is, zijn eigen huishouden kan voeren en sterke banden met Iran onderhoudt. Hierdoor was de minister niet verplicht een belangenafweging te maken op grond van artikel 8 EVRM Pro.
Daarnaast is vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van de procedure met ruim negen maanden is overschreden, waarbij de overschrijding volledig aan de minister kan worden toegerekend. De minister wordt veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van € 1.000 en tot vergoeding van proceskosten van € 453,50.
Het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard. De Afdeling bevestigt hiermee de afwijzing van het beroep van de vreemdeling en legt sancties op aan de minister wegens de overschrijding van de redelijke termijn.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de minister wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.