ECLI:NL:RVS:2025:2032

Raad van State

Datum uitspraak
7 mei 2025
Publicatiedatum
6 mei 2025
Zaaknummer
202407779/1/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 10 OpvangrichtlijnArt. 83c Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank en ongegrond verklaring beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel in grensdetentie

Bij besluit van 20 november 2024 legde de minister van Asiel en Migratie aan betrokkene een vrijheidsontnemende maatregel op in het kader van grensdetentie. Betrokkene stelde beroep in tegen deze maatregel, waarna de rechtbank Den Haag op 20 december 2024 het beroep gegrond verklaarde, de maatregel ophefte en schadevergoeding toekende.

De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, terwijl betrokkene incidenteel hoger beroep instelde. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het incidenteel hoger beroep van betrokkene niet-ontvankelijk is, omdat dit niet is toegestaan in grensdetentiezaken volgens artikel 83c, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en oordeelde dat het Justitieel Complex Schiphol (JCS) ten tijde van de grensdetentie nog wel als gespecialiseerde bewaringsaccommodatie kon worden aangemerkt. Tevens werd geoordeeld dat de vrijheidsontnemende maatregel niet onevenredig bezwarend was, mede omdat voldoende medische voorzieningen aanwezig waren en het innemen van mobiele telefoons gerechtvaardigd was ter bescherming van het personeel.

Daarom werd het beroep van de minister gegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd op 7 mei 2025 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het hoger beroep van de minister is gegrond verklaard, het incidenteel hoger beroep van betrokkene niet-ontvankelijk en het beroep ongegrond; de vrijheidsontnemende maatregel blijft van kracht.

Uitspraak

202407779/1/V3.
Datum uitspraak: 7 mei 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:
1.       de minister van Asiel en Migratie,
2.       [betrokkene],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 20 december 2024 in zaak nr. NL24.48856 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 20 november 2024 heeft de minister betrokkene een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 20 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. S.N. Ali, advocaat in Almere, heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Dit stuk wordt ook als een schriftelijke uiteenzetting aangemerkt.
Overwegingen
Het hoger beroep van de minister
1.       De minister komt terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat het JCS onder de omstandigheden ten tijde van de grensdetentie van betrokkene geen gespecialiseerde bewaringsaccommodatie meer was in de zin van artikel 10, eerste lid, van de Opvangrichtlijn en dat de tenuitvoerlegging van de grensdetentie daarom onrechtmatig is. De Afdeling verwijst naar haar uitspraken van 29 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:258, en 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:789.
1.1.    De grief slaagt.
Het incidenteel hoger beroep van betrokkene
2.       Gelet op artikel 83c, vierde lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is geen incidenteel hoger beroep mogelijk in een grensdetentiezaak. Het incidenteel hoger beroep is daarom niet-ontvankelijk.
Conclusie over het hoger beroep
3.       Het hoger beroep van de minister is gegrond. Het incidenteel hoger beroep van betrokkene is niet-ontvankelijk. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
Het beroep
4.       De beroepsgrond dat de vrijheidsontnemende maatregel onevenredig bezwarend is, omdat betrokkene last heeft van migraineaanvallen en stress, slaagt niet. De minister heeft zich in de maatregel terecht op het standpunt gesteld dat in het JCS voldoende medische voorzieningen aanwezig zijn. Betrokkene heeft niet toegelicht waarom deze voorzieningen in haar geval niet toereikend zouden zijn. Wat betreft de omstandigheid dat betrokkene niet op elk gewenst moment contact kan opnemen met haar kinderen, wijst de Afdeling op de onder 1 genoemde uitspraak van 26 februari 2025, onder 3.5.2, waarin zij heeft overwogen dat de minister het innemen van mobiele telefoons noodzakelijk heeft mogen achten ter bescherming van het personeel van het JCS. Gelet op het voorgaande heeft de minister terecht geen aanleiding gezien om een lichter middel toe te passen.
5.       Omdat de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de grensdetentie onrechtmatig te achten, is het beroep alsnog ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       verklaart het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk;
III.      vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 20 december 2024 in zaak nr. NL24.48856;
IV.      verklaart het beroep ongegrond;
V.       wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.A. de Jong, griffier.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Jong
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2025
981