ECLI:NL:RVS:2025:2032
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank en ongegrond verklaring beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel in grensdetentie
Bij besluit van 20 november 2024 legde de minister van Asiel en Migratie aan betrokkene een vrijheidsontnemende maatregel op in het kader van grensdetentie. Betrokkene stelde beroep in tegen deze maatregel, waarna de rechtbank Den Haag op 20 december 2024 het beroep gegrond verklaarde, de maatregel ophefte en schadevergoeding toekende.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, terwijl betrokkene incidenteel hoger beroep instelde. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het incidenteel hoger beroep van betrokkene niet-ontvankelijk is, omdat dit niet is toegestaan in grensdetentiezaken volgens artikel 83c, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en oordeelde dat het Justitieel Complex Schiphol (JCS) ten tijde van de grensdetentie nog wel als gespecialiseerde bewaringsaccommodatie kon worden aangemerkt. Tevens werd geoordeeld dat de vrijheidsontnemende maatregel niet onevenredig bezwarend was, mede omdat voldoende medische voorzieningen aanwezig waren en het innemen van mobiele telefoons gerechtvaardigd was ter bescherming van het personeel.
Daarom werd het beroep van de minister gegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd op 7 mei 2025 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister is gegrond verklaard, het incidenteel hoger beroep van betrokkene niet-ontvankelijk en het beroep ongegrond; de vrijheidsontnemende maatregel blijft van kracht.