ECLI:NL:RVS:2025:2020
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging gedeeltelijke uitspraak inzake proceskostenvergoeding bij afwijzing verblijfsvergunning
Appellant had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, die door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 1 juli 2022 werd afgewezen. Tegen deze afwijzing werd bezwaar gemaakt, dat op 25 maart 2024 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 1 oktober 2024 het beroep ongegrond verklaarde maar wel schadevergoeding toekende wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, waarbij zij betoogde dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenvergoeding had toegekend voor het verzoek om schadevergoeding. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de rechtbank inderdaad op grond van artikel 8:75 Awb Pro een proceskostenvergoeding had moeten toekennen. Daarom wordt het hoger beroep gegrond verklaard en het deel van de uitspraak dat de proceskostenvergoeding niet toekende vernietigd.
De Afdeling veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van de proceskosten die in verband met het verzoek om schadevergoeding en het hoger beroep zijn gemaakt, inclusief het griffierecht dat appellant voor het hoger beroep betaalde. Voor het verzoek om schadevergoeding wordt een wegingsfactor van 0,5 toegepast, voor het overige een factor 1. De overige onderdelen van de uitspraak van de rechtbank worden bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover zij de proceskostenvergoeding niet toekende; de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.