ECLI:NL:RVS:2025:1746

Raad van State

Datum uitspraak
10 april 2025
Publicatiedatum
17 april 2025
Zaaknummer
202405386/1/A2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:67 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging onderzoek rijgeschiktheid na drugsgebruik en bestuurderschap

Het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) legde appellant op 14 maart 2024 een onderzoek naar rijgeschiktheid op omdat hij volgens de politie op 12 februari 2023 onder invloed van drugs een auto bestuurde. Appellant erkende het drugsgebruik, maar betwistte dat hij de auto bestuurde op die datum.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen het besluit van het CBR op 6 juni 2024 ongegrond. Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde op 10 april 2025 dat appellant geen nieuwe gronden aanvoerde die de gemotiveerde beoordeling van de rechtbank onjuist of onvolledig maakten.

Tijdens de mondelinge behandeling konden vragen over WhatsApp-gesprekken en de strafrechtelijke procedure, mede door afwezigheid van appellant, niet worden beantwoord. De Afdeling ging daarom uit van de juistheid van de op ambtseed opgemaakte processen-verbaal waaruit bleek dat appellant bestuurder was.

De Afdeling bevestigde daarmee het besluit van het CBR en de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek tot vergoeding van proceskosten af.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot onderzoek naar rijgeschiktheid wordt bevestigd.

Uitspraak

202405386/1/A2.
Datum uitspraak: 10 april 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 juni 2024 in zaak nr. 23/6712 in het geding tussen:
[appellant]
en
het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).
Openbare zitting gehouden op 10 april 2025 om 16:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad: mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: mr. O. van Loon
Jurist: mr. A. Wolda
Verschenen:
mr. R.W. de Gruijl, advocaat in Rotterdam;
het CBR, vertegenwoordigd door mr. I.S.B. Metaal.
====================================
Het CBR heeft op 14 maart 2024 [appellant] een onderzoek naar de rijgeschiktheid opgelegd, omdat hij volgens de politie onder invloed van drugs een auto heeft bestuurd. [appellant] betwist niet dat hij onder invloed was van drugs, wel dat hij de auto bestuurde op 12 februari 2023.
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 6 juni 2024 waarin het beroep van [appellant] tegen de beslissing van het CBR van 6 juli 2023 ongegrond is verklaard.
Beslissing
De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Gronden
Wat [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd, is zo goed als een herhaling van de gronden die hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de uitspraak van de rechtbank onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 10 tot en met 12 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Ter zitting zijn verschillende vragen aan de orde gekomen over de WhatsApp-gesprekken, waar [appellant] zich op beroept, en de uitkomst van de strafrechtelijke procedure, die mede door de afwezigheid van [appellant] niet konden worden beantwoord. Onder deze omstandigheden gaat de Afdeling uit van de juistheid van de op ambtseed opgemaakte processen-verbaal, waaruit blijkt dat [appellant] de bestuurder van zijn auto is geweest.
Het CBR hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Daalder
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Loon
griffier
284-1112