ECLI:NL:RVS:2025:1660
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd bevestigd in hoger beroep
Appellant heeft bij besluit van 15 november 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen. Appellant maakte bezwaar tegen deze afwijzing, maar dit werd op 18 juli 2023 ongegrond verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 31 januari 2025 het beroep ongegrond verklaarde.
Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De Afdeling oordeelde dat appellant niet alle volgens het Voorschrift Vreemdelingen 2000 vereiste stukken had overgelegd en geen voldoende verklaring had gegeven voor het ontbreken daarvan. Hierdoor mocht de minister van horen afzien en de aanvraag afwijzen.
De Afdeling vond geen aanleiding om het oordeel van de rechtbank te vernietigen en wees het hoger beroep en het verzoek om voorlopige voorziening af. Ook werd bepaald dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden. Het hoger beroep bevatte geen vragen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling, waardoor verdere motivering achterwege kon blijven.
Uitkomst: Hoger beroep en verzoek om voorlopige voorziening worden afgewezen; afwijzing verblijfsvergunning blijft in stand.