ECLI:NL:RVS:2025:1659
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van interstatelijk vertrouwensbeginsel
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam een asielaanvraag van betrokkene niet in behandeling op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en de beoordeling dat geen reëel risico bestond op onmenselijke behandeling bij overdracht aan Polen.
De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond, vernietigde het besluit en beval een nieuw besluit te nemen. De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte een nieuw toetsingskader voor de bewijslastverdeling hanteerde en dat de minister zich deugdelijk had gemotiveerd met recente rapportages en jurisprudentie. De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de minister gegrond, waardoor het beroep van betrokkene alsnog ongegrond werd verklaard.
De Afdeling benadrukte dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel het uitgangspunt blijft bij Dublinoverdrachten en dat een verdergaande vergewisplicht niet geldt. De minister hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van betrokkene ongegrond verklaard.