ECLI:NL:RVS:2025:1604
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende beoordeling afhankelijkheid
Appellant verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 28 juni 2022 werd afgewezen. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank Den Haag, die het beroep ongegrond verklaarde, stelde appellant hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelt dat de rechtbank en de minister het beoordelingskader omtrent de afhankelijkheid tussen appellant en referent niet correct hebben toegepast. De minister had een brede beoordeling moeten maken van bijkomende elementen van afhankelijkheid, rekening houdend met alle individuele omstandigheden van het geval.
Daarom is het hoger beroep gegrond verklaard, is de uitspraak van de rechtbank vernietigd en is het besluit van 24 maart 2023 vernietigd. De minister wordt opgedragen binnen twaalf weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen, waarbij een op het specifieke geval toegespitste beoordeling moet plaatsvinden.
Daarnaast is de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het door appellant betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep. De Afdeling heeft het hoger beroep in het openbaar uitgesproken op 10 april 2025.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, het besluit en uitspraak vernietigd, en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen.