ECLI:NL:RVS:2025:1487

Raad van State

Datum uitspraak
3 april 2025
Publicatiedatum
3 april 2025
Zaaknummer
202304016/1/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M. den Heyer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArtikel 17 Gezinsherenigingsrichtlijn
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf voor verblijf bij minderjarige zoon

Bij besluit van 7 maart 2022 wees de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvraag van betrokkene om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) af. Het bezwaar van betrokkene tegen deze afwijzing werd op 1 december 2022 ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en vernietigde het besluit, waarbij zij oordeelde dat de Gezinsherenigingsrichtlijn rechtstreeks en onvoorwaardelijk van toepassing was op de mvv-aanvraag voor verblijf bij haar minderjarige Nederlandse zoon.

De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad van State oordeelde dat de Gezinsherenigingsrichtlijn niet van toepassing is op een mvv-aanvraag voor verblijf bij een Nederlandse minderjarige, zoals reeds bevestigd in een eerdere uitspraak van 11 februari 2025. Hierdoor hoefde de minister ook geen individuele beoordeling te maken op grond van artikel 17 van Pro deze richtlijn.

De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond en bepaalde dat de minister een nieuw besluit op het bezwaar moet nemen, met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling en de rechtbank, voor zover deze niet zijn aangevochten. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard en het oordeel van de rechtbank dat de Gezinsherenigingsrichtlijn van toepassing is, wordt vernietigd.

Uitspraak

202304016/1/V1.
Datum uitspraak: 3 april 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 30 mei 2023 in zaak nr. NL22.26387 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 7 maart 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om betrokkene een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: een mvv) te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 1 december 2022 heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 30 mei 2023 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. T.F.W. Kouwenhoven, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.       De minister klaagt in de eerste grief terecht over het oordeel van de rechtbank dat de Gezinsherenigingsrichtlijn rechtstreeks en onvoorwaardelijk van toepassing is op de mvv-aanvraag van betrokkene voor verblijf bij haar minderjarige Nederlandse zoon. Uit de uitspraak van de Afdeling van 11 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:496, onder 3.1 tot en met 3.5, volgt dat de Gezinsherenigingsrichtlijn niet van toepassing is op een mvv-aanvraag voor verblijf bij een Nederlandse minderjarige. De grief slaagt.
2.       De minister klaagt in de tweede grief terecht over het oordeel van de rechtbank dat zij in dit geval verplicht is om een individuele beoordeling in het kader van artikel 17 van Pro de Gezinsherenigingsrichtlijn te maken. Aangezien de Gezinsherenigingsrichtlijn niet van toepassing is, hoeft de minister ook geen individuele beoordeling in het kader van artikel 17 van Pro deze richtlijn te maken. De grief slaagt.
3.       Het hoger beroep is gegrond. De minister komt niet op tegen de vernietiging van het besluit door de rechtbank. Zij moet daarom alsnog een nieuw besluit op het bezwaar nemen, met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling en de uitspraak van de rechtbank, voor zover de minister deze niet heeft aangevochten. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep gegrond.
Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.
w.g. Den Heyer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Pronk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2025
1028