ECLI:NL:RVS:2025:1486

Raad van State

Datum uitspraak
3 april 2025
Publicatiedatum
3 april 2025
Zaaknummer
202306703/1/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen proceskostenveroordeling bij niet tijdig besluit mvv-aanvraag

Appellant stelde beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en bepaalde een beslistermijn van vier weken met een dwangsom bij overschrijding. Tevens veroordeelde zij de minister van Asiel en Migratie tot betaling van proceskosten van € 209,25.

Appellant ging in hoger beroep tegen deze proceskostenveroordeling. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de rechtbank onjuist een wegingsfactor van 0,25 (zeer licht) had toegepast in plaats van 0,5 (licht). De Afdeling vernietigde daarom het deel van het vonnis over de proceskosten en veroordeelde de minister tot een hogere vergoeding van € 1.360,00, bestaande uit € 453,50 voor het beroep en € 907,00 voor het hoger beroep.

De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep niet uitsluitend tegen de proceskostenveroordeling was gericht, waardoor voor het hoger beroep een wegingsfactor van 1 werd toegepast. De minister moet de volledige proceskosten vergoeden die door een derde beroepsmatig zijn verleend. De uitspraak van de rechtbank werd verder in stand gelaten omdat de minister inmiddels een besluit op de aanvraag had genomen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de minister wordt veroordeeld tot een hogere proceskostenvergoeding van € 1.360,00 aan appellant.

Uitspraak

202306703/1/V1.
Datum uitspraak: 3 april 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],|
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 17 oktober 2023 in zaak nr. NL23.23870 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen.
Bij uitspraak van 17 oktober 2023 heeft de rechtbank dat beroep gegrond verklaard en bepaald dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid binnen vier weken na de dag van verzending van de uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekendmaakt, en aan appellant een dwangsom verbeurt van € 100,00 voor elke dag dat hij die termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,00. De rechtbank heeft de staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 209,25.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M.H.R. de Boer, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1.       Toen de rechtbank uitspraak deed op het beroep van appellant tegen het niet tijdig nemen van een besluit, had de minister nog geen besluit genomen op de aanvraag van 31 januari 2023. Dat heeft zij bij besluit van 29 november 2024 wel gedaan. Wat appellant in de eerste grief aanvoert over de door de rechtbank bepaalde beslistermijn, schept daarom geen belang voor het beoordelen van haar hoger beroep.
2.       De in de tweede grief opgeworpen rechtsvraag over de door de rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling heeft de Afdeling beantwoord in de uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1253, onder 2. Hieruit volgt dat appellant terecht betoogt dat de rechtbank wegingsfactor 0,5 (licht) en niet 0,25 (zeer licht) had moeten toepassen.
De grief slaagt.
3.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, voor zover zij, onder toepassing van wegingsfactor 0,25, de minister heeft veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 209,25. De Afdeling zal de minister, met toepassing van wegingsfactor 0,5, voor de proceskosten in beroep veroordelen tot vergoeding van een bedrag van € 453,50. De minister moet ook de proceskosten in hoger beroep vergoeden. Het hoger beroep is niet uitsluitend gericht tegen de beslissing van de rechtbank over de hoogte van de proceskostenvergoeding. De Afdeling past daarom in zoverre wegingsfactor 1 toe (zie de uitspraak van de Afdeling van 17 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5204, onder 3).
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 17 oktober 2023 in zaak nr. NL23.23870, voor zover de rechtbank de minister van Asiel en Migratie heeft veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 209,25;
III.      veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.360,00 (€ 453,50 voor het beroep en € 907,00 voor het hoger beroep), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.
w.g. Kuijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Verbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2025
574-1060