ECLI:NL:RVS:2025:1342
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bewaring vreemdeling ondanks voortduren vrijheidsbeperkende maatregel
De minister van Asiel en Migratie stelde de vreemdeling, met de Algerijnse nationaliteit, op 28 oktober 2024 in bewaring nadat hij op 26 oktober 2024 strafrechtelijk in verzekering was gesteld wegens winkeldiefstal. De vreemdeling was sinds 31 mei 2024 onder een vrijheidsbeperkende maatregel geplaatst die niet formeel was opgeheven voorafgaand aan de bewaring.
De rechtbank oordeelde dat de feitelijke vrijheidsontneming door de strafrechtelijke maatregel en de daaropvolgende bewaring de vrijheidsbeperkende maatregel feitelijk had opgeheven, waardoor er geen sprake was van gelijktijdige toepassing van beide maatregelen. De vreemdeling stelde in hoger beroep dat de vrijheidsbeperkende maatregel formeel had moeten worden opgeheven voordat de bewaring kon ingaan.
De Afdeling bestuursrechtspraak verwierp dit standpunt en benadrukte dat de wettelijke vereisten voor de bewaring waren vervuld en dat de vrijheidsbeperkende maatregel feitelijk werd opgeheven door de bewaring. De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond, zonder proceskosten toe te kennen.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling is rechtmatig en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.