ECLI:NL:RVS:2025:132
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- N. Verheij
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen onrechtmatigheid grensdetentie na onderzoek mobiele telefoons vreemdelingen
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid legde op 4 april 2024 aan Iraanse vreemdelingen een vrijheidsontnemende maatregel op na hun asielaanvraag op Schiphol. Op diezelfde dag onderzocht de Koninklijke Marechaussee zonder toestemming hun mobiele telefoons. De rechtbank oordeelde dat dit onderzoek zonder toereikende wettelijke grondslag was en dat de grensdetentie daardoor onrechtmatig was, met toekenning van schadevergoeding.
De minister stelde in hoger beroep dat het onderzoek aan de telefoons plaatsvond in het kader van de asielprocedure en niet van de grensdetentie, en dat artikel 55, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) hiervoor een voldoende grondslag biedt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat artikel 55, tweede lid, onvoldoende wettelijke basis biedt voor het zonder toestemming onderzoeken van mobiele telefoons en dat het onderzoek zonder toereikende grondslag heeft plaatsgevonden.
Echter, de Afdeling stelde vast dat het onderzoek niet gericht was op gegevens relevant voor de grensdetentie en ook niet afhankelijk was van het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel. Hierdoor leidt het onderzoek niet tot onrechtmatigheid van de grensdetentie. De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde de beroepen ongegrond en wees de verzoeken om schadevergoeding af. Tevens gaf de Afdeling een terugkoppeling aan de wetgever om de wettelijke grondslag voor het onderzoeken van mobiele telefoons nader uit te werken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd, de beroepen ongegrond verklaard en de verzoeken om schadevergoeding afgewezen.