ECLI:NL:RVS:2025:1198

Raad van State

Datum uitspraak
21 maart 2025
Publicatiedatum
20 maart 2025
Zaaknummer
202407643/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 10 OpvangrichtlijnArt. 83c Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep minister tegen uitspraak rechtbank over grensdetentie vreemdeling

De minister van Asiel en Migratie legde op 23 november 2024 een vrijheidsontnemende maatregel op aan een vreemdeling. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling deels gegrond en oordeelde dat de tenuitvoerlegging van de grensdetentie onrechtmatig was, waarna zij wijziging van de tenuitvoerlegging en schadeloosstelling beval.

De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het Justitieel Complex Schiphol wel degelijk een gespecialiseerde bewaringsaccommodatie is in de zin van de Opvangrichtlijn, en dat de rechtbank ten onrechte de grensdetentie onrechtmatig had verklaard.

Daarnaast werd het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling niet-ontvankelijk verklaard omdat dit volgens de Vreemdelingenwet 2000 niet mogelijk is in grensdetentiezaken. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, het beroep alsnog ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling niet-ontvankelijk en het beroep ongegrond; de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.

Uitspraak

202407643/1/V3.
Datum uitspraak: 21 maart 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 december 2024 in zaak nr. NL24.47616 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 23 november 2024 heeft de minister de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 17 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep, voor zover gericht tegen de tenuitvoerlegging van de maatregel, gegrond verklaard en voor het overige ongegrond, de wijziging van de tenuitvoerlegging van de maatregel met ingang van die dag bevolen en de minister opgedragen de vreemdeling schadeloos te stellen.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S. Jankie, advocaat in Hoofddorp, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
Het hoger beroep van de minister
1.       De minister komt in zijn enige grief terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat het Justitieel Complex Schiphol onder de omstandigheden ten tijde van haar uitspraak geen gespecialiseerde bewaringsaccommodatie meer is in de zin van artikel 10, eerste lid, van de Opvangrichtlijn en dat de tenuitvoerlegging van de grensdetentie daarom onrechtmatig is. De Afdeling verwijst naar haar uitspraken van 29 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:258, en 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:789.
1.1.    De grief slaagt.
Het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling
2.       Gelet op artikel 83c, vierde lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is geen incidenteel hoger beroep mogelijk in een grensdetentiezaak. Het incidenteel hoger beroep is daarom niet-ontvankelijk.
Conclusie
3.       Het hoger beroep van de minister is gegrond. Het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling is niet-ontvankelijk. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken en de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de grensdetentie onrechtmatig te achten, is het beroep alsnog ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       verklaart het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk;
III.      vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 december 2024 in zaak nr. NL24.47616;
IV.      verklaart het beroep ongegrond;
V.       wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Nederhoff, griffier.
w.g. Verheij
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Nederhoff
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2025
918