ECLI:NL:RVS:2025:1010

Raad van State

Datum uitspraak
12 maart 2025
Publicatiedatum
12 maart 2025
Zaaknummer
202300128/1/A3
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen niet tijdig beslissen handhavingsverzoek

Appellant verzocht het college van burgemeester en wethouders van Den Haag om handhavend op te treden tegen de aanwezigheid van een bouwhek, bouwlift en afvalcontainer in het Willem Dreespark. Het college reageerde bij brief van 25 mei 2021 op dit verzoek. Appellant stelde dat deze brief geen besluit was en diende daarom een beroep in tegen het niet tijdig beslissen.

De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat de brief van 25 mei 2021 wel als besluit werd beschouwd, ondanks het ontbreken van een rechtsmiddelenclausule. Appellant stelde in hoger beroep dezelfde gronden aan, maar voerde geen nieuwe argumenten aan die de eerdere motivering konden weerleggen.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het besluitkarakter van de brief duidelijk is, ook al wordt het perceel niet expliciet genoemd. De verwijzing naar het handhavingsverzoek en de locatie in het besluit maken dit voldoende duidelijk. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep bevestigd.

Uitspraak

202300128/1/A3.
Datum uitspraak: 12 maart 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Den Haag,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 november 2022 in zaak nr. 21/6120 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag
Procesverloop
Bij brief van 25 mei 2021 heeft het college gereageerd op een verzoek van [appellant] om handhaving.
Bij uitspraak van 23 november 2022 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn handhavingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op de zitting van 12 februari 2025 behandeld, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. E. Veldman, zijn verschenen.
Overwegingen
1.       [appellant] heeft het college bij brief van 11 februari 2021, ontvangen op 17 februari 2021, verzocht om handhavend op te treden tegen de aanwezigheid van een bouwhek, een bouwlift en een afvalcontainer in het Willem Dreespark in Den Haag. Het college heeft op dit verzoek gereageerd bij brief van 25 mei 2021. [appellant] stelt dat het college met deze brief ten onrechte niet heeft beslist op zijn handhavingsverzoek. [appellant] heeft daarom een beroep niet tijdig beslissen ingediend bij de rechtbank.
2.       De rechtbank heeft dit beroep niet-ontvankelijk verklaard. De brief van 25 mei 2021 is volgens de rechtbank een besluit op het handhavingsverzoek van [appellant]. Dat een rechtsmiddelenclausule ontbreekt maakt dit niet anders. Dit betekent volgens de rechtbank dat er tijdig is beslist op het handhavingsverzoek van [appellant].
3.       De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel en in de overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Dit betekent dat de brief van 25 mei 2021 een besluit is. Aan de overwegingen van de rechtbank wordt nog het volgende toegevoegd.
3.1.    De enkele omstandigheid dat in het besluit van 25 mei 2021 niet met zoveel woorden is benoemd dat het om Willem Dreespark ter hoogte van perceel 312 gaat, doet niet aan af aan het besluitkarakter ervan. In dit besluit wordt in de kop de datum van het handhavingsverzoek van Reijnen vermeld en in de eerste alinea wordt ook nog verwezen naar het kenmerk van dit verzoek. Verder gaat het besluit ook over het Willem Dreespark en de objecten, waarop het handhavingsverzoek ziet. Het is daarom volstrekt duidelijk dat het besluit de afwijzing betreft van het handhavingsverzoek van [appellant over het perceel 312.
4.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.
5.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier.
w.g. Lange
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Dijkshoorn
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2025
735-1147