ECLI:NL:RVS:2024:759

Raad van State

Datum uitspraak
22 februari 2024
Publicatiedatum
22 februari 2024
Zaaknummer
202307976/1/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 84 Vw 2000Art. 106 Vw 2000
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank inzake proceskostenvergoeding in bewaringstelling vreemdeling

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde de vreemdeling op 8 december 2023 in bewaring. De rechtbank Den Haag kende op 21 december 2023 schadevergoeding toe aan de vreemdeling wegens deze bewaring, maar veroordeelde de staatssecretaris slechts gedeeltelijk tot vergoeding van de proceskosten.

De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, met name tegen de hoogte van de proceskostenvergoeding. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat zij onbevoegd was om kennis te nemen van het hoger beroep tegen de schadevergoeding zelf, maar wel bevoegd was ten aanzien van de proceskostenvergoeding.

De Afdeling stelde vast dat de rechtbank ten onrechte een lagere wegingsfactor ('licht') hanteerde bij de berekening van de proceskosten, terwijl de behandeling van het beroep in beginsel tot de categorie 'gemiddeld' behoort. De Afdeling vernietigde daarom het deel van de uitspraak dat de proceskostenvergoeding beperkte en veroordeelde de staatssecretaris tot volledige vergoeding van de proceskosten in beroep en hoger beroep, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard voor de proceskostenvergoeding en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot volledige vergoeding van de proceskosten in beroep en hoger beroep.

Uitspraak

202307976/1/V3.
Datum uitspraak: 22 februari 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 21 december 2023 in zaak nr. NL23.38975 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 8 december 2023 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 21 december 2023 heeft de rechtbank schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.C. van Paridon, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       De rechtbank heeft in haar uitspraak beslist op een verzoek om schadevergoeding (artikel 106 van Pro de Vw 2000). De vreemdeling kan niet afzonderlijk opkomen tegen de hoogte van de schadevergoeding (artikel 84, aanhef en onder d, van de Vw 2000). De Afdeling is in zoverre onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.
2.       De vreemdeling kan wel opkomen tegen de hoogte van de vergoeding van de proceskosten in beroep en betoogt terecht dat de rechtbank bij de berekening daarvan ten onrechte is uitgegaan van wegingsfactor "licht" (0,5). De behandeling van een zaak in de bezwaar- en beroepsprocedure behoort in beginsel tot de categorie gemiddeld, tenzij er duidelijke redenen zijn hiervan af te wijken. In dit geval was de bewaring ondertussen, toen de zitting plaatsvond, al opgeheven en was de onrechtmatigheid daarvan niet meer in geschil, waardoor de rechtbank zich bij de beoordeling van het beroep uiteindelijk heeft beperkt tot de vraag of aan de vreemdeling schadevergoeding moest worden toegekend. Maar het enkele feit dat in beroep geen beoordeling van het materiële geschil heeft plaatsgevonden is geen duidelijke reden om af te wijken van de categorie "gemiddeld", te meer nu de rechtbank heeft overwogen in de opheffing van de maatregel van bewaring aanleiding te zien de staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten (zie ter vergelijking de uitspraak van de Afdeling van 11 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:408, onder 3).
De grief slaagt in zoverre.
3.       Het hoger beroep is, voor zover de Afdeling bevoegd is daarvan kennis te nemen, gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, voor zover de rechtbank de staatssecretaris ten onrechte niet heeft veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in beroep van € 1.674,00. De Afdeling zal dat alsnog doen. De staatssecretaris moet ook de proceskosten in hoger beroep vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen, voor zover dat is gericht tegen de beslissing van de rechtbank op het verzoek om schadevergoeding;
II.       verklaart het hoger beroep voor het overige gegrond;
III.      vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 21 december 2023 in zaak nr. NL23.38975, voor zover de rechtbank de staatssecretaris heeft veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 837,00;
IV.     veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.549,00 (€ 1.674,00 voor het beroep en € 875,00 voor het hoger beroep), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.
w.g. Verheij
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Dallinga
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2024
18-1017