ECLI:NL:RVS:2024:603

Raad van State

Datum uitspraak
14 februari 2024
Publicatiedatum
14 februari 2024
Zaaknummer
202307120/1/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbRichtlijn 2001/55/EGUitvoeringsbesluit (EU) 2022/382
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit beëindiging tijdelijke bescherming vreemdeling op grond van EU-richtlijn

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft bij besluit van 1 september 2023 bepaald dat het recht op tijdelijke bescherming van de vreemdeling, gebaseerd op Richtlijn 2001/55/EG en het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382, per 4 september 2023 eindigt. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 13 november 2023 ongegrond verklaarde. Tegen deze uitspraak stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Raad van State.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat de tijdelijke bescherming krachtens de Richtlijn Tijdelijke Bescherming geboden is en dat deze bescherming niet per 4 september 2023 kan worden beëindigd, maar krachtens de richtlijn van rechtswege eindigt op 4 maart 2024. De Afdeling vernietigde daarom het besluit van 1 september 2023 en de uitspraak van de rechtbank Den Haag. Het hoger beroep van de vreemdeling werd gegrond verklaard.

De staatssecretaris werd tevens veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, die geheel toerekenbaar zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De Afdeling bepaalde dat het aan de staatssecretaris is om te bepalen op welke wijze hij het einde van de tijdelijke bescherming aan de vreemdeling zal meedelen.

Uitkomst: Het besluit van de staatssecretaris om de tijdelijke bescherming per 4 september 2023 te beëindigen wordt vernietigd en het hoger beroep van de vreemdeling wordt gegrond verklaard.

Uitspraak

202307120/1/V2.
Datum uitspraak: 14 februari 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 13 november 2023 in zaak nr. NL23.26122 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 1 september 2023 heeft de staatssecretaris bepaald dat op 4 september 2023 het recht op bescherming eindigt dat de vreemdeling geniet op grond van Richtlijn 2001/55/EG (hierna: de Richtlijn Tijdelijke Bescherming) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van 4 maart 2022.
Bij uitspraak van 13 november 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. H.M.A. Breuls, advocaat te Dalfsen, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Bij uitspraak van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:32, heeft de Afdeling geoordeeld dat de tijdelijke bescherming van derdelanders die op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne rechtmatig verblijf hadden en die zich voor 19 juli 2022 in Nederland hebben laten inschrijven in de basisregistratie personen, niet door de staatssecretaris kon worden beëindigd op 4 september 2023 (onder 8-8.10). De tijdelijke bescherming is namelijk krachtens de Richtlijn Tijdelijke Bescherming geboden en daarom moet ook voor de duur daarvan worden aangesloten bij deze richtlijn. Dit betekent dat de eerste en tweede grief slagen.
2.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het is niet nodig wat de vreemdeling verder heeft aangevoerd te bespreken. Het beroep is gegrond en het besluit van 1 september 2023 wordt vernietigd. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de onder 1 genoemde uitspraak, eindigt de tijdelijke bescherming die de vreemdeling is geboden op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming van rechtswege op 4 maart 2024 en is het aan de staatssecretaris om te bepalen in welke vorm hij dit aan de vreemdeling zal meedelen (onder 9-9.6). De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 13 november 2023 in zaak nr. NL23.26122;
III.      verklaart het beroep gegrond;
IV.     vernietigt het besluit van 1 september 2023, V-[…]
V.      veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.625,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Trox, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
w.g. Trox
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2024
968